Er is geen mooiere koers dan de Vuelta

de vuelta in emmen, 2009 (foto anp)

In de week dat Lance Armstrong zich definitief verhief boven het gepeupel door zeven Tourzeges (vijf meer dan alle Nederlanders ooit sámen) in te leveren in ruil voor een ongestoorde oude dag, serveerde de Ronde van Spanje een dagelijkse portie prachtsport waarvan ze in Frankrijk nog wat zouden kunnen opsteken.

Maandagochtend bevond ik mij opeens een beetje in de Vuelta. Ik telefoneerde langdurig met de nummer negen van het algemeen klassement. Dichter had ik de Ronde van Spanje nooit benaderd. Het was een opwindend gevoel dat de mooiste wedstrijd van het jaar zich plotseling voor een miniem deel in mijn Utrechtse kamertje afspeelde. Alsof je wakker wordt in de set van een Hollywoodfilm. En terwijl de nummer negen van het algemeen klassement mij over zijn leven, zijn ambities en zijn toekomstplannen vertelde, dacht ik aan de enige andere keer dat ik voor even in de Vuelta aanwezig was.

Het was op een sombere zaterdagmiddag in Assen, waar op het TT-circuit een korte tijdrit zou worden verreden.

Wat de Vuelta nu precies in een koud en nat Assen kwam doen, wist niemand.

Wel wist iedereen dat het om geld moest gaan.

En dat oud-commissaris van de koningin van Drenthe Relus ter Beek het allemaal bekokstoofd had. Ter Beek maakte de start zelf niet mee, hij was een jaar eerder overleden.

Die augustusmiddag stonden voor het station van Assen stonden enkele duizenden mensen te zwijgen. (Er is geen mensensoort die fraaier kan zwijgen dan wielersupporters. Gebruinde, tanige mannen zijn het, mannen met een huid van leer, een garderobe vol wielershirts zoals die in de jaren zestig in het Vlaamse juniorenpeloton courant waren, een hoofd vol kennis van materialen en een latente heimwee naar Marc Stassijns. Wielersupporters dragen nog altijd oude radiootjes met zich mee, met gevoelige antennes, roestige apparaten die tot op de Herz nauwkeurig moeten worden afgesteld om krakerige flarden van het wedstrijdverslag uit de lucht te plukken. Wielersupporters hebben spandoeken bij zich waarop in grote letters “Hup Stijn!” of “Zet ‘m op, Bobby! Groeten uit Gulpen” gekalkt staat, wielersupporters houden de uitslagen van hun favorieten bij in een bruin cahier, wielersupporters drinken ranja uit een bidon en eten gebutste luchtbruine boterhammen met kaas uit een boterhamzakje. Ach, bestond de wereld maar alleen uit wielersupporters).

Met een door de organisatie gehuurde shuttlebus werden we naar het circuit vervoerd.

In de bus riep iemand de startlijst om.

In de buurt van het stadion kwamen we in een tamelijk uitzichtloze opstopping terecht. Talloze verkeersregelaars zwermden in hun vrijwilligershesjes als helgele mieren door de file, maar tegen deze overmacht viel niet op te regelen.

Onder de passagiers brak een beschaafde vorm van paniek uit. Een man van rond de zeventig begon op te sommen welke renners hij nu allemaal niet in actie zou zien, een verfrommelde Italiaanse vrouw wuifde zich koelte toe met een oude Gazzetta dello Sport en een slungelige, Vlaamse jongen met een gezicht van papier-maché waagde tevergeefs zijn kans bij een Indisch meisje in een verwassen Mapei-tricot.

Uiteindelijk bedroeg de schade: zeventien renners gemist.

Er zouden er nog ruim 180 passeren. Ver onder ons, want op het parkoers waren toeschouwers niet welkom. Zo schoof er iedere minuut in de verte een stipje voorbij, de tussenliggende tijd werd ingevuld met dreunende dance.

Na negentig stipjes kreeg mijn vader dorst. Hij verliet de tribune om ergens op het terrein een dienblad met levensgrote bekers cola op de kop te tikken.

Hij bleef bijna twee uur weg. Bij het terugkeren naar de tribune had een steward hem de weg versperd. Zijn toegangskaart en mobiele telefoon lagen veilig onder mijn stoel.

Vorige week werd bekend dat de Vuelta over drie jaar weer Nederland aandoet. En dan niet één, niet twee, niet drie, niet vier, maar vijf etappes lang.

Geïnteresseerde gemeenten kunnen zich inschrijven.


Reacties zijn gesloten.