Rolstoelbasketbalsters hebben spierballen als tractorbanden

rolstoelbasketbal (foto anp)

Ik zou de handen van de rolstoelbasketbalsters wel eens van dichtbij willen bekijken. Ik vrees dat er weinig vrouwelijks aan te zien is. Niks poezeligs. Enkel harde stukken en dikke lagen eelt, waarmee zo’n meid de huid van haar vriend zonder enige moeite open schuurt als ze hem wil strelen. Zulke handen krijg je nu eenmaal als je jezelf continu blootshands van volle vaart tot stilstand moet remmen. De eerste weken in zo’n rolstoel zitten je handen vol brandblaren en bloed. Daarna worden ze van staal. Dat kan niet anders.

Eigenlijk had ik het eens moeten vragen aan Oranjespeelster Roos Oosterbaan, toen ze nog mijn collega was bij Radio 1. Nooit aan gedacht. Ik kan me haar handen niet meer herinneren, terwijl zij ze toch graag en veel gebruikt als ze praat. Jammer. Nu kan ik er alleen maar over fantaseren.

De stoelen zijn aan de voorkant verstevigd met een bumper en de speelsters zitten met gordels stevig vastgesnoerd. Dat is maar goed ook. Twee van die rolstoelbasketbalteams op een veld gaan harder tekeer dan botsauto’s op de kermis. Ze rijden zonder blikken of blozen in volle vaart op elkaar in en scrummen als volleerde rugbyers. Valt er eentje om? Pech. Dikke kans dat ze een tijdje als een omgedraaide schildpad ligt te spartelen voor een teamgenoot haar en ‘r stoel weer overeind trekt.

Hoe moeilijk moet dat zijn, dacht ik gistermiddag toen ik naar Nederland – Groot-Brittannië zat te kijken. Rollen, dribbelen, draaien, remmen en versnellen tegelijk. Daar zou ik minstens zes handen voor nodig hebben. En dan heb ik het nog niet eens over schieten vanuit zittende positie, terwijl je op hoge snelheid over het veld raast. Op twee benen kun je tenminste even halt houden en springen als je schiet. Dat mikt toch net wat makkelijker. En je hoeft je geen zorgen te maken over een tegenstander die vol in je flank dendert. Want dat mag bij basketbal op benen niet.

Zelfs als ik een man was geweest zou ik niet graag armpje drukken tegen een van deze vrouwen. Spierballen als tractorbanden hebben ze. De een ziet er nog vervaarlijker dan de ander, met grote tattoos op hun enorme bovenarmen en een bloedfanatieke blik in hun ogen. Bepaald niet bang voor een beuk, of het nu om uitdelen of incasseren gaat. Juichen om een punt, daar doen ze niet aan. Focus. Concentratie. Echte ijzervreters zijn het, dat zie je zo. Zelden heb ik zulke stoere meiden in zo’n spectaculair spel verwikkeld gezien.

Ik snap niet waarom we rolstoelbasketbal alleen op de Paralympics zien. Waarom ze het niet invoeren als gewone sport. Het wordt dan wel gespeeld met een bal en een basket, maar met ‘gewoon’ basketbal heeft het weinig te maken, dacht ik toen ik weer twee meiden in hun gevecht om de bal vol op elkaar in zag jensen. De een wankelde, de ander gaf haar stiekem een duwtje mee. Daar lag ze. Dit is een heel nieuwe sport. Een naam heb ik er nog niet voor verzonnen, maar rugby is er niks bij.

Nadat Nederland thuisland Groot-Brittannië met 62-35 had vermorzeld, ving ik een glim van Roos’ handen op. Hoe de binnenkant eruit ziet weet ik nog steeds niet, want ze stak alleen haar duim in de lucht. Op de mooi gemanicuurde nagel stond een oranje leeuw gelakt. De geconcentreerde gezichten ontspanden, er werd gejuicht, gelachen en een rondje high five-end door het veld gerold. Hoe cool moet dat zijn, dacht ik, om in zo’n kar door een sporthal te rammen. Ik ken heel wat kinderen die dat maar wat graag eens zouden proberen.

Vrijdagavond speelt Nederland tegen Canada. Ik kijk nu al naar uit.

(p.s.: Hup Roos!)


  • Martijn Rosdorff

    Toen Roos Oosterbaan, ook mijn oud-collega, haar vinger eens per ongeluk in een draaiende staafmixer stak, deed ze er een Bob de Bouwer-pleister op en dat was dat.
    Hup Roos!