De terugkeer van Rafael de Verlosser

Hamburger SV - Rafael van der Vaart

Ze staat al sinds vanochtend vroeg langs de rand van het veld. Wachten op de Verlosser. Haar gebeden werpen hun vruchten af. Eindelijk.

Het stond gisteren al in de krant, en wat in de krant staat is waar. Tenminste, wat over HSV in de krant staat, klopt bijna altijd.

Haar club, HSV.

Voor de intrede van Christus in Hamburg had Bild Zeitung zijn allerstemmigste koeienletters uit de kast geplukt. Jesus ist zurück, stond er. Wat zwakjes uitgedrukt, eigenlijk: ze moet nog zien hoeveel mensen er op een zonnige zondag voor de comeback van de Here naar het HSV-trainingscomplex afzakken. Het kunnen er nooit meer zijn dan deze ochtend. Jezus heeft misschien iets meer fans, maar ze moet de eerste katholiek nog tegenkomen die op de dag van de herrijzenis onmiddellijk een shirtje van negentig euro aanschaft.

Om haar heen staan honderden mensen die gister de fanshop hebben belegerd en er met zo’n gelikt design-plastic tasje weer uitkwamen.

Negentig euro om de komst van de Messias te vieren, zeg nou zelf, duur is anders.

Ze weet nog precies waarom en wanneer ze zich ooit tot Hem bekeerde. Het was in de tijd dat het even niet goed ging. Met de club dan, en dus ook met haar. Zijn naam had ze wel eens gehoord, zijn gezicht was haar al wel eens opgevangen, maar weet je wat het is met Verlossers: het zijn de daden die ’t ‘m doen.

Ze herinnert zich nog goed hoe Hij de eerste keer het veld in kwam lopen.

Ze moest lachen. Was dát de grote aankoop van haar club? Een ietwat gedrongen, ongeschoren jongen, zonder nek van betekenis en met piekerig gelhaar die met zijn O-beentjes over het veld dribbelde als een van de talloze zondagochtendparkjoggers die ze van achter haar slaapkamerraam altijd vervloekt voor hun overvloedig tentoon gespreide discipline en gezondheid.

Zijn uitstraling had meer iets van een iets te snel oud geworden boybandlid dat hard aan het trainen is voor een comeback in het Verre Oosten dan van een man die HSV – háár HSV – zou verlossen van decennia onkunde, lange halen, briesende beulen van trainers, degradatieangst en rondvliegende plaggen gras.

Tot het moment dat Hij de bal voor het eerst beroerde.

Zestigduizend mensen waren er getuige van. Water in wijn, een rond stuk leer in een stuk fimoklei dat je naar hartelust kan vervormen tot een levensgevaarlijk projectiel, of juist tot een herfstblad in de wind.

Zestigduizend man zagen het, en niemand die iets zei.

Zij ook, ze was erbij, ze zag het.

Diezelfde middag nog, een hete nazomermiddag in 2005, kocht ze voor het eerst van haar leven een voetbaltenue met een nummer. In plaats van de club zou ze vanaf nu Hem aanmoedigen. 23, het nummer van de psalm die de aanhang voortaan iedere veertien dagen zouden aanheffen: Van. Der. Vaart. Vandevart. Ra-Fa-El.

Ze weet niet of het toeval is, maar met zijn vertrek, verdween er veel uit haar leven. Het shirt met nummer 23 bleef ze iedere veertien dagen dragen, als een ode aan een voorbije tijd. Zoals je ook wel eens foto’s inlijst en ophangt, foto’s van momenten dat alles goed was; de bevestiging van het vermoeden dat het leven soms even leuk kan zijn.

Ze bad voor een terugkeer, ze hoopte erop, ze droomde ervan. Ze las het soms ook echt, in de krant of op internet. Als ze dan nog eens goed keek, stond er toch iets anders.

Vrijdag werd ze gebeld terwijl ze in de trein zat op weg naar huis. Ze vindt weinig dingen vervelender dan gebeld worden als ze in een volle trein zit. Meestal neemt ze niet op. Nu wel, het was haar zus en je weet maar nooit.

Weet je het al, vroeg haar zus.

Zij wist niets. Haar zus klonk niet in paniek. Wel gejaagd, als iemand die de loterij heeft gewonnen maar uit goede manieren eerst vraagt hoe je dag was.

Hij komt, zei haar zus.

Wie?

Hij.

In haar leven had zich al lang geen Hij meer voorgedaan. Eigenlijk al niet meer sinds…

Hij.

Nu staat ze hier te wachten, tot Hij naar buiten komt. Alsof hij de steen voor de grot opzij geduwd heeft en onmiddellijk naar Hamburg is gevlogen. Ze heeft op televisie gezien hoe Hij uit een privéjet stapte. Hij lachte en Hij droeg het soort plastic jas waar je zestienjarige jongens vaak in ziet.

Hij stond Hem goed, die jas. Hem wel.

Nu loopt Hij hier zo op een paar meter langs haar, langs haar en haar 23-shirt, dat ze gisteren als een relikwie gewassen en gestreken heeft.

Daar is ie.

Toch altijd kleiner dan je je herinnert.

Terwijl de menigte Zijn naam roept, grijnst Hij verontschuldigend.

Dan kijk Hij opzij, naar waar zij staat. Het duurt één seconde, misschien korter. Maar ze kijken elkaar aan. Hij haar óók… dat durft ze te zweren.

En Hij lacht. Naar haar. Tegen haar.

Het volgende moment kijkt hij voor zich en dribbelt hij ietwat amechtig het veld op, in zijn stijl van de corpulente IT-er die begint te trainen voor de halve marathon.

En dan, terwijl ze hem nakijkt, wordt ze op haar schouder getikt.

Een cameraploeg.

Mevrouw, kent u Sportschau, van de ARD?

Wat een vraag.

Of ze haar misschien een paar vragen mogen stellen over De Terugkeer. Het hoeft niet lang te duren. Gewoon, wat ze ervan vindt en of ze blij is.

Of ze blij is?

Wat een vraag.


Reacties zijn gesloten.