Spaanse ‘bad bank’ is prima, maar dan wel op z’n Zweeds

Bij een Zweedse bank denken we al snel aan het meubelbedrijf dat ook een bank is gestart. Als dat maar geen Plundra wordt... Foto: ANP

Afgelopen week werden de berichten over de oprichting van een Spaanse bad bank steeds sterker. Die berichten zijn er al lange tijd – het plan zou ook deel uit maken van het pakket van eisen dat Europa verbindt aan de beschikbaarstelling van 100 miljard aan Spanje, geoormerkt om de banken te redden.

Begin jaren ’90 was er in Zweden sprake van de ernstigste onroerend goed-crisis in de geschiedenis. Tussen 1990 en 1993 sloeg een begrotingsoverschot van 4 procent om in een tekort van 13 procent. Dat hebben we in de huidige crisis nog niet gezien. Toch kozen de Zweden hier zelf voor, gedwongen door ellende die ontstond door wetswijzigingen uit de jaren ’80, die een aantal kapitaalrestricties voor beleggers ophieven.

Gevolg: een enorme onroerend goed-bubble die zich niet tot Zweden beperkte. Ik overdrijf niet als ik zeg dat grote delen van de Amsterdamse grachtengordel in Zweedse handen kwamen, geholpen door handenwrijvende makelaars, architecten en aannemers.

Zelfs HP/De Tijd profiteerde er van toen de bubble barstte: voor een zacht prijsje én een half jaar huurvrij kon het blad een van de mooiste panden in de binnenstad huren. Het pand was niet meer van de eigenaar – die was failliet – maar van de Zweedse bank die, angstig voor kraakgevaar, tegen bijna elke prijs liever huurders zag.

Zweedse banken stonden toen, net als nu de Spaanse, op springen en konden alleen door hard ingrijpen van de staat gered worden. Die staat deed een aantal dingen die er op dit moment voor Spanje al niet meer inzitten. Om te beginnen werd een bad bank opgericht, gefinancierd door de staat. Daarin werd al het probleem-onroerend goed van de banken ondergebracht, maar wel tegen marktprijzen. En dus met forse verliezen voor de banken.

Die verliezen konden de banken nemen omdat tegelijk de Zweedse staat als grootaandeelhouder van de banken toetrad. En tenslotte devalueerde Zweden de kroon fors zodat de exportkansen snel en enorm toenamen.

Het was een quick fix met voor de korte termijn zeer desastreuze gevolgen zoals het genoemde begrotingstekort van 13 procent in 1993. Maar al in 1995 groeide de Zweedse economie weer fors en uiteindelijk werd het probleem-onroerend goed op een verstandige (dus langzame) manier uitverkocht. Dat kostte wel zo’n 15 jaar. In diezelfde periode stegen de koersen van de (bank) aandelen fors en kon de Zweedse regering ze met flinke winsten verkopen. Hoewel de balans nooit precies voor de buitenwereld werd opgemaakt lijkt het erop dat de Zweedse overheid uiteindelijk aan de drastische ingrepen verdiende.

Terug naar Spanje. Het is nauwelijks aannemelijk dat het daar ook zo zal gaan, devaluatie als wapen om de export te bevorderen is bijvoorbeeld binnen de euro al een onmogelijkheid. Ook praten er heel veel partijen – lees: regeringen – mee over een Spaans reddingsplan. En tenslotte is het geen optie om het begrotingstekort éénmalig enorm te laten oplopen om zodoende de economie fors te stimuleren. Dat mag allemaal niet in Europa. We bedenken – of nog liever maken – liever onze eigen voorbeelden.


Reacties zijn gesloten.