Waar is toch al het papier gebleven?

Waar is toch al het papier gebleven?

Ik schrijf u vandaag met pen en papier. Het laatste dat ik schreef zonder computer was waarschijnlijk mijn eindexamen Nederlands (en als dat niet klopt, kan ik het nu niet meer verwijderen zonder ‘delete’ knop.)

Ik heb bovendien maar beschikking over een heel klein papiertje, want in de Coffee Company in het centrum waar ik nu zit, hadden ze geen schrijfpapier. Papier is heel erg vorige eeuw. Het enige soort papier dat de barista voor me kon vinden was een lange bon uit zijn kassa. Als experiment schrijf ik daarop: benieuwd of het een ander soort tekst oplevert als je van tevoren al moet beslissen wat je wilt schrijven en in welke volgorde, en te weinig papier tot je beschikking hebt om het opnieuw te doen.

Overigens heb ik na dit kleine stukje tekst al een lamme arm. Een totaal ontwende schrijfspier in die arm zit te piepen dat hij liever typt. Heeft u onlangs nog wel eens 129 woorden achter elkaar geschreven in plaats van getypt? Moet u eens proberen.

In deze koffiezaak zitten op dit moment slechts twee mensen met een laptop voor hun neus, een ongekend minimum, als u de zaak kent. Zeven mensen, om precies te zijn, staren naar het scherm van hun smartphone. Een paar lezen de krant. Niemand doet niets. (Na het woord ‘lezen’ moest eigenlijk ‘of kletsen’ komen, want sommige mensen kletsen, maar dat kan ik er nu niet meer tussenvoegen. Vroeger op school deden we dat met een sterretje, dan kon je onderaan de pagina verdergaan met de tekst die op de plek van het sterretje moest). Mijn handschrift is ook flink achteruit gegaan in de afgelopen jaren, zie ik. Ooit zeiden mensen dat ik zo’n mooi handschrift had. Blijkbaar verleer je een handschrift. (Au, mijn arm. Misschien houd ik die pen niet goed vast?)

Oh, daar komt de derde laptop uit de tas. Sommige mensen die met zijn tweeën zitten, zitten met zijn tweeën met hun telefoon te spelen. Ermee telefoneren doet niemand – dat is, net als papier, al jaren uit. Ze checken hun email. Iedereen checkt altijd overal zijn mail. Ik ook, soms als ik bij anderen op bezoek ben, of als ik fiets. Of tijdens een borrel, of soms tijdens het oversteken.

Er kwam een bekende langs. “Ben je druk?” vroeg ze, en met een opgetrokken wenkbrauw keek ze naar mijn schamele papiertje en pen. Zo’n papier ziet er natuurlijk niet uit – in tegenstelling tot een laptop of smartphone – alsof je het druk hebt. Twee mensen naast me, die duidelijk met elkaar hebben afgesproken voor een kop koffie, staren naar hun telefoons. Dat is iets wat er voor een buitenstaander onvoorstelbaar uitziet, maar wat je toch zelf ook wel eens doet, omdat het op zo’n moment logisch lijkt. Waarschijnlijk zoeken deze knappe jongeman en vrouw allebei iets op, of sturen ze berichtjes naar andere mensen die hier niet zitten. Als ze na deze afspraak ieder hun eigen kant op gaan, sturen ze berichtjes naar elkaar. Dat het gezellig was.

Het papier is op – dit schrijf ik in heel kleine lettertjes op het aller-onderste stukje van de bon.

(Nadat ik deze op de bon gekriebelde tekst overschreef op de computer, heb ik nog achttien woorden verwijderd en tweeënveertig erbij getypt op verschillende plekken. Maar dat ziet u niet.)


Reacties zijn gesloten.