Ach, die arme Nederlandse filmproducenten

lege bioscooopzaal (foto anp)

Vorige week was daar een brandbrief van een Nederlands postproduction-bedrijf, Filmmore, over de situatie in de Nederlandse filmwereld. Kommer en kwel dreigt. Er zijn de bezuinigingen op cultuur in het algemeen en die raken de filmwereld minstens zo hard, er is aanzienlijk minder geld van overheidswege. Maar er is vooral ook fiscale concurrentie uit andere omringende landen waardoor unieke kennis hier verloren dreigt te gaan.

Eerst maar even full disclosure: in mijn leven heb ik veel van doen gehad met de Nederlandse filmindustrie, ik denk dat ik van de hoed en de rand weet. Zelfs was ik nog een jaartje bij de filmproducenten als beroepsgroep betrokken, dat had ik niet moeten doen. Het is met film als met ganzenlever: het product kan heel lekker zijn, van de productiemethodes en de mores in de markt kun je beter geen weet hebben.

Het gaat buitengewoon goed met de Nederlandse film. We winnen internationaal prijzen op overwegend piepkleine maar o zo prestigieuze festivals waarvan de juryleden elkaar grensoverschrijdend op de schouders slaan en zo de illusie in leven houden dat ze er toe doen. Zonder uitzondering bestaan dat soort festivals van subsidiegeld; van hun eigen geld zou geen enkele betrokkene het doen. Het past ons eenvoudige burgers natuurlijk niet om daar een oordeel over te hebben.

Op het jaarlijkse Nederlands Film Festival wint ook bijna iedereen een prijs, je moet wel erg slecht gepresteerd hebben – of gewoon je netwerk niet goed onderhouden – om niet ten minste met iets naar huis te gaan. Het is een beetje zoals die wijnen die je wel eens ziet die dan een zilveren medaille hebben gewonnen op een festival waar niemand ooit van heeft gehoord. Maar dat ligt dan aan ons, dat we er nog nooit van gehoord hebben.

Nu ben ik van de school dat je een film voor een publiek moet maken dus kijk ik wat meer naar films die de bioscoop halen en daar goed bezocht worden. Ook daar is weinig te klagen; het marktaandeel van de Nederlandse film is in een jaar of twintig enorm toegenomen. Maar er worden in Nederland ook films gemaakt met ons geld die de bioscoop niet halen. En het televisiescherm ook niet, of hooguit om tien voor half twee ‘s nachts. Zo’n productie heeft dan al gauw een miljoen gekost – uitsluitend subsidie – en daar hebben dan 6208 mensen naar gekeken. Dat zijn uitwassen – of eigenlijk niet eens want het komt structureel voor. Er zou ook wel eens van gezegd kunnen worden: nu even niet.

Er kan in Nederland geen film worden gemaakt zonder zeer forse overheidssteun, zelfs ik erken dat. We zijn een te klein taalgebied met een te klein potentieel publiek om welke film dan ook lokaal winstgevend te laten zijn. Dus is er een ingewikkelde lappendeken van subsidiënten waarvan de het Nederlands Filmfonds de grootste is maar ook de omroepen met hun Cobo-fonds een belangrijke rol spelen.

Het succes van de Nederlandse film is in belangrijke mate te danken aan overheidsdenken in een ver verleden. Een paar wijze beleidsmakers realiseerden zich dat acteurs het misschien al schnabbelend nog wel redden als er maar een paar films worden gemaakt, maar dat met name de kennis in de post production – zeg maar montage, geluid, kleuren, afwerken afhankelijk zijn van een bepaald minimum aan volume. Zijn er te weinig films, dan kunnen dat soort bedrijven gewoon niet bestaan. Door het maken van films financieel te stimuleren zoals het jaren lang gebeurde – en nog plaatsvindt – kon een hele industrie voor Nederland behouden worden en groeien.

Dat overheidsdenken heeft intussen wel stil gestaan en daar gaat die brandbrief van vorige week over. In allerlei Europese landen zijn er fiscale faciliteiten om – ook Nederlandse – filmmakers daar naartoe te lokken. Dat gaat, bijvoorbeeld in België, als volgt. Je kunt daar, als je plannen goedgekeurd zijn, flinke bedragen ophalen als je vervolgens maar 150 procent van dat bedrag in België aan je film uitgeeft. In de praktijk betekent het dat filmmakers zoveel mogelijk productie die niet locatiegebonden is – dat kunnen bepaalde scenes zijn maar vooral ook de postproduction – naar België overhevelen om die financiële steun te krijgen. België is één voorbeeld, bijna elk Europees land biedt dit soort faciliteiten. Maar Nederland niet.

Dat zou overigens op twee manieren opgelost kunnen worden. Er komt een serieuze fiscale faciliteit waardoor particulieren en bedrijfsleven weer in film willen investeren. Of Filmfonds en Cobo stellen als voorwaarde voor subsidie dat alle kosten in Nederland worden gemaakt. Dat laatste zou ook gewoon helpen.

Want zoals de Volkskrant – en daarna uiteraard ons parlement – zich opwinden over de NS die materieel op fiscaal leuke wijze via het buitenland aanschaft, zo kun je je ook erover boos maken dat Nederlands belastinggeld door filmproducenten in het buitenland wordt besteed. Dat is namelijk nu aan de gang.

Over Dr. Doom
Dr. Doom is een pseudoniem. Als belegger is hij verantwoordelijk voor het beleggingsbeleid van Beleggingsvereniging Fibonacci. Op het moment van het schrijven van deze column heeft de vereniging posities in Ahold, Akzo Nobel, KPN, Shell en Unilever en is Short in de AEX. De positie in de AEX is kortlopend en wisselt regelmatig. Die kan dus nu al anders zijn.

———
Volg HP/De Tijd ook op Twitter.


  • Jeroen Z

    Maar dat mag niet van Europa, meneer Doom.

  • http://www.hpdetijd.nl Dr. Doom

    Jazeker mag dat. Als België mag eisen dat, als je daar 300.000,- Euro aan financiering krijgt, je 450.000,- Euro daar moet besteden, dan mag Nederland eisen dat als je hier 300.000,- Euro aan financiering krijgt, je 300.000,- in Nederland moet besteden.