Een schrijverstoost op 9/11

DEN HAAG-VREUGDEVUUR-JAARWISSELING

We zijn jong en we leven, nog even. Ik zag het als een aanleiding om mijn vrienden op dinsdag 11 september in de tuin uit te nodigen en hier bij stil te staan. De mensen bleven weg. De schrijvers kwamen.

Het is 14.46 uur. Schrijversvriend D. en ik heffen het glas.
“Op de oude wereld.”
“Op onze herinneringen.”
We nemen het Prometheus-tuinfeest door, de jaarlijkse borrel van onze uitgever op de laatste vrijdag van augustus.
“Ik stond met redacteur G. te praten en hij stelde me voor aan die jongen van Das Magazin,” zegt D.
“Daniel van der Meer?” vraag ik.
“Nee. Niet die. Twaane. Twaane, zo heette hij.”
“Toine Donk?” Ik denk aan afgelopen winter. De winter dat ik Toine Donk ontmoette. Ik hield er een publicatie en een fotoreportage van mijn werkplek aan over in het nieuwe literaire tijdschrift dat inmiddels alleen nog bij NRC verschijnt. Ik weet niet of ik daaruit een crisis of een vooruitgang moet opmaken.
“Hij heet gewoon Toine?” vraagt D. “Waarom zei redacteur G. me dat niet? Als het G. was overigens. Ik herkende Tommy Wieringa ook niet direct. Op een gegeven moment kon ik alleen over Ton Elias met zekerheid zeggen dat het Ton Elias was.”
Ik schenk hem nog een keer bij. Mijn telefoon gaat. Ik heb weinig bereik in huis dus hoor niets aan de andere kant van de lijn. Ik hang op en bel niet terug.
Schrijversvriendin H. komt binnen. Haar vriend, ook schrijver maar sinds enige tijd belast met een fulltime commerciële baan, zal niet komen. Het ziet ernaar uit dat we een goede middag voor de boeg hebben, zonder schuldgevoelens.
H. schrijft over voetbal. Met Henk Spaan gaat ze naar de wedstrijden van Ajax.
“Henk vraagt zich af of jij een fobie voor hem hebt,” zegt H. tegen mij.
“Een fobie voor Henk Spaan?”
“Hij probeert je te bellen. Maar je hangt op zodra hij zijn naam zegt. Hij wil dat je dat stuk over Gregory van der Wiel waar je het al een jaar over hebt voor Hard Gras gaat schrijven.” Ik herinner me mijn overmoedige buien waarin ik beweerde zinnige dingen over voetbal te kunnen vertellen. Misschien moet ik minder drinken, om zulke uitspraken tot een minimum te beperken.
“Ik zal hem terugbellen,” zeg ik. “Morgen.”
De middag kruipt voorbij. De tuin vult zich met lotgenoten.
“Ik ga mijn sociale leven na vandaag nog verder terugbrengen,” zegt vriend M.
M. schrijft een roman. “Hopelijk levert het een paar fatsoenlijke alinea’s op,” vervolgt hij.
“Je moet daar voor uitkijken,” zegt D. Van dat monomane gedoe kun je echt psychotisch worden, geloof me.”

De bel gaat opnieuw. Ik ben verbaasd over het gezicht waar ik in kijk. Het is een niet-schrijvend mens. In plaats van een fles wijn, de gevraagde inleg, heeft hij een fles wodka bij zich – tot groot genoegen van D. die zich onmiddellijk wat inschenkt.
“Op de oude wereld,” zegt hij en heft het glas naar niemand in het bijzonder.

“Bevind ik me tussen alleen maar schrijvend volk?” vraagt de nieuwkomer. We hoeven niet lang om ons heen te kijken om het te bevestigen.
“Dus ik ben de enige normale persoon die op het onsmakelijke voorstel is ingegaan om 9/11 te vieren. Waar is jullie moreel besef? Waar is jullie engagement?”
Zijn vragen sterven weg in het gelach. Snel daarna ontfermt hij zich over de fakkels en de vuurkorf, attributen die de rest van het gezelschap nog niet waren opgevallen. Hij blijkt ook te kunnen vuurspuwen. De verwijdering tussen hem en de anderen is niet meer te overbruggen. Hij vertrekt als eerste. De fles wodka laat hij achter.
“Op de oude wereld,” proost D. opnieuw als de voordeur in het slot valt. Ik zie nu pas dat hij een sweater draagt van het televisiestation Veronica.
De avond liep niet ten einde. Pas in de vroege ochtend was de tuin weer leeg.


  • Klaas

    Het literaire wereldje. Een tuinfeestje. Met vriend M. En redacteur G. Ach jee.
    Beste Olga, ben je niet nog wat jong voor zulke uitgebluste stukjes?