Hockey is het nieuwe happy slapping

dames-laren-hockey

Enkele weken geleden bracht Elsevier een zorgelijke coverstory over hockey. “Hockey, de nieuwe volkssport?” Het klonk een beetje angstig, alsof er ook had kunnen staan “Hockey, het nieuwe happy slapping?” of “Hockey, de nieuwe single van Gerard Joling?”

Ik lezen.

In het artikel werd uitgelegd hoe de ledenaantallen van Nederlandse hockeyclubs de afgelopen tien jaar uit de klauwen gegroeid waren. Nederland verhockeyseert; het totale aantal hockeyers in dit land schijnt het afgelopen decennium verdubbeld te zijn. Even verderop in het artikel werd ene Ruud Stokvis geciteerd. Ruud Stokvis is sportsocioloog, een baan met een ereplaats in de Eregalerij van Beroepen Waarvan Je Niet Wist Dat Ze Bestonden. Ruud had de ontwikkeling van hockey tot een volkssport al in de smiezen toen de ballotagecommissies nog ongestoord hun zegenrijke werk konden doen. Zijn conclusie: er is geen houden meer aan, het ene straatkind na het andere middenklassegebroed ‘gaat erop’, alsof het niks kost – en dat is niet zo.

De situatie wordt langzaam maar zeker onhoudbaar: het is intussen zo erg dat je er bij een beetje hockeyclub al niet eens meer tussen komt als je niet al ergens een familielid in het ledenbestand hebt rondzwerven. Er heerst een nijpend tekort aan hockeyverenigingen, een stickschaarste. Overal in parken en op verlaten pleintjes steken clandestiene clubjes de kop op, als thuisbrouwerijen tijdens de drooglegging.

Iedereen wil hockey.

De ‘gezellige en sociale’ kant

Reden, volgens Elsevier: ‘de sociale kant’ van de sport. De sociale kant bij hockey wordt nog het best geïllustreerd door het Utrechtse Kampong. Daar staan, wederom volgens Elsevier, iedere zondagmorgen vijftig veteranen met elkaar te jeu-des-boulen dat het een lieve lust is. Daarna kijken ze gezamenlijk naar Dames 1 en de dames en heren sluiten de dag af met ‘een flesje wijn’. Veel verenigingen zijn bovendien in het bezit van een open haard, zodat er ook op gure wintermiddagen behaaglijk doorgeborreld kan worden. De geïnterviewde middenklassegezinnen die hun kinderen de hockeyclub opgesteekpenningd hadden, legden de nadruk op ‘gezellig en sociaal, veilig en vertrouwd’. Het is natuurlijk maar net wat je gezellig noemt, ik persoonlijk zou nogal nerveus worden van de eeuwige aanwezigheid van aangeschoten trosjes hockeyveteranen met loden kogels in de hand.

Toch geven steeds meer mensen de voorkeur aan de beklemmende pseudokak van een open haard in het clubhuis boven het schoolvoetbal, waar ‘een oma werd geslagen’. Ik keur dat niet goed, oma’s slaan, al weten we allemaal hoe ze soms het bloed onder je nagels vandaan kunnen halen, zeker als je net even in alle rust naar het schoolvoetbal staat te kijken.

En toch. Stel: je verdient allebei bovenmodaal, je hebt twee dropjes van kinderen, je woont in een leuk huis aan de rand van Amersfoort of Hengelo of Gulpen (tuin, rust, ruimte; héérlijk) en je zit op zondagmiddag in de tuin, dan wil je je geen zorgen maken over oma langs het sportveld, dan wil je dat oma even toonbaar terugkeert als dat ze vertrok. Dan kies je voor hockey, de sociaalste aller sporten. Natuurlijk.

Wie zijn kind in deze tijden nog op voetbal, zwemmen of badminton doet, moet wel volslagen krankjorum zijn. Ooit een badmintonvereniging gezien waar de veteranen op zondag komen jeu-des-boulen? Een zwembad met een open haard? Een voetbalvereniging waar de kernwoorden ‘gezellig en sociaal, veilig en vertrouwd’ zijn? Nee mensen, bij de hockey, daar moet u wezen. Elsevier heeft weer eens gelijk, we hebben de sport met z’n allen succesvol kaltgestellt. Dank.

En de elite? Wat doet die? Schuift die gezellig met Jan en alleman aan bij de open haard, netwerkt die voortaan langs de lijntjes met de loodgieter en de slager? Natuurlijk niet. De sportsociologie weet het zeker: de elite zal langzaam van de sport afdrijven en aanspoelen bij een fonkelnieuw statussymbool: zeezeilen. Dat u maar vast weet welke sport er over vijftien jaar met man en macht geënterd moet worden.


  • LucAss

    Hockey blijft vermoedelijk met een stokkie.
    Eigenlijk zou ik het moeten toejuichen, de toename van genieters van een “uiterst mieters spelletje”, ware het niet dat regelgeving (ja, de KNHB zelf) en de cluborganisaties onderhevig zijn aan sterke vormen van devaluatie. Hiermee komt het originele spel in het geding en dat is jammer. Nu zijn we wel wat gewend in Nederland met betrekking tot het toenemende kwantiteits-denken. Echter in dit geval (we hebben het bij de voetbal al een beetje mogen aanschouwen) worden, mijn inziens, de grenzen waarschijnlijk snel bereikt middels de ernst van de ongelukken die zullen gaan plaatsvinden. Eens kijken of die toenemende populariteit hier tegen opgewassen is.