De bekentenissen van David Zabriskie

Ik ben opgegroeid in Salt Lake City, waar de winters ijzig zijn en de zon kort na haar opkomst al weer ondergaat. Ik aarzel om mijn jeugd gelukkig te noemen. De sfeer thuis was killer dan het vaak buiten was. Dat komt: mijn vader was verslaafd aan verdovende middelen. Ik, zijn zoon, zat op de eerste rang en was verplicht het theater van de zelfdestructie van nabij te aanschouwen. Een boeiend project waarin hij de grondigheid aan de dag legde die hij in de rest van zijn leven zo miste.

Eén steeds terugkerende gedachte herinner ik me uit die periode: nooitnooitnooit zou ik mij met drugs inlaten. Never.

Op mijn vijftiende begon ik met wielrennen. Het duurde maar kort voor ik doorhad welk een betoverende kracht van eindeloze, eenzame trainingen uitging. Het fietsen was een vlucht, letterlijk: steeds harder reed ik weg van de problemen die thuis op me lagen te wachten.

En beetje bij beetje werd de fiets mijn nieuwe thuis, het zadel de plek waar ik me geborgen voelde als in een familie, de afzondering werd mijn nieuwe gezelschap.

Een inspirerende ontmoeting
Dat ik talent had, kreeg ik al rap door. Ik was pas achttien toen ik op het Wereldkampioenschap voor juniorenrenners in San Sebastian vierde werd in de tijdrit. Een jaar later al trainde ik mee met Lance Armstrong, al was het niet meer dan een veredelde meet & greet. Die ontmoeting inspireerde me, mijn ongerichte toekomstdromen over wielersucces kregen een steeds concreter karakter.

Er was echter één gebeurtenis die me ervan weerhield onbekommerd te fantaseren over morgen: in de zomer van 1998 werd het Tourpeloton ontmaskerd als een  rijdende apotheek, de profrenners als een bende gedrogeerde oplichters en de sport als een wereld waarin de moraal het keer op keer aflegde tegen de pragmatiek van de portemonnee.

Vrienden van mij zeiden: als je ooit wielrenner kon worden, dan nú. Het wielrennen was zichzelf aan het reinigen, zeiden ze, het virus zou het zieke lichaam vroeg of laat verlaten. Bestond er een beter antibioticum dan een generatie frisse jonge renners? Die argumenten sloegen gaten in mijn twijfels, gaten waardoor de overtuiging dat de wielersport aan de beterende hand was naar binnen vloeide. Ik besloot de gok te wagen en werd wielrenner.

Onder één voorwaarde: nooitnooitnooit zou ik mij met drugs inlaten. Never.

“Weer ontmoette ik Armstrong, die me voorstelde aan Bruyneel”

Een aanval van achteren
Twee jaar later stierf mijn vader. Ik reed op dat moment in Frankrijk, in een wedstrijd die de Tour de l’Avenir genoemd wordt. Juist in een wedstrijd die alludeerde op de toekomst attaqueerde mijn verleden me van achteren.

De begrafenis van mijn vader liet ik aan me voorbijgaan. Ik zat in Frankrijk voor een nieuwe koers, de GP des Nations. Mijn toekomst ging vóór alles nu. Die wedstrijd won ik, de beloftenvariant althans. De winnaar bij de profs heette Armstrong. Wéér ontmoetten we elkaar, en hij stelde me voor aan een man die Johan Bruyneel heette, de man die van Armstrong de beste renner ter wereld had gekleid.

Een jaar later werd ik prof, bij Bruyneel en Armstrong. En weer die gedachte: nooitnooitnooit zou ik mij met drugs inlaten. Never.

Herstelmiddel
In het begin bakte ik er weinig van. Ik woonde intussen in Spanje, in een dorpje waar ik niemand kende. Wanneer ik omkeek, zag ik slechts de rook van de schepen die ik achter me verbrand had. Langzaam vereenzaamde ik, en mijn prestaties waren van hetzelfde niveau als mijn geestesgesteldheid: ronduit belabberd. Om me heen zag ik hoe ploegmaten zich voor en na de koers lieten injecteren met goedjes in alle kleuren van de regenboog. De eerste keer dat ik daarvan getuige was, schrok ik.

’Wat is dat?’
’Herstelmiddel. Wil je ook wat?’

Ik weigerde, stellig als de geheelonthouder die een emmer tequila krijgt voorgeschoteld. De belofte van lang geleden stond nog altijd in het marmer van mijn geheugen gegrift: nooitnooitnooit zou ik mij met drugs inlaten. Never.

Vitamineninjecties
Het jaar erop injecteerde ik mijzelf voor het eerst. Het eerste seizoen was verloren, het tweede kon ik blijven op een hongerloontje. Ik besloot dat een vitamineninjectie geen kwaad zou kunnen.

In mijn eerste grote ronde, die van Spanje, voerde de ploegleiding mijn dosering op. Toen mijn kamergenoot halverwege de ronde uit de koers stapte, stapte plotseling Johan Bruyneel onze (nu: mijn) kamer binnen. Zonder iets te zeggen liep hij naar de kleine koelkast en haalde er een in zwart plastic gewikkelde doos uit. Ik vroeg niets. Wat viel er te vragen?

In die jaren toonde ik mijn onmisbaarheid voor de ploeg vooral in de bus. Ik zong
zelfverzonnen liedjes op wijsjes van bestaande nummers, muziek die mijn eigen spanning moest verlichten. Op een dag leerde een collega me de EPO-song, op de maat van Jimi Hendrix’ Purple Haze. Iedereen vond het een fraai lied. Johan ook. Het verkortte de lange busritten.

“Je móet”, zei Bruyneel

Iedereen doet het
In het voorjaar van 2003 vroeg Bruyneel mij samen met een ploegmaat naar een café in onze woonplaats Girona te komen. Bruyneel had die ochtend iemand bij zich. Ik zag onmiddellijk om wie het ging: onze ploegdokter, Del Moral.

Ons gesprek was nauwelijks op gang toen Del Moral een goedje tevoorschijn haalde. EPO. Ik schrok zoals ik nog nooit van mijn leven geschrokken was. Ik hoorde mezelf vragen stellen, in het wilde weg, alles wat in mijn hoofd opkwam, gooide ik op tafel als de laatste troef in een spelletje klaverjas.

Was het veilig?
Kon ik na gebruik nog kinderen krijgen?
Zouden mijn oren ervan groeien?
Bruyneel stelde me gerust. Iedereen doet het, zei hij.
’Iedereen?’ vroeg ik.
’Iedereen. Zij die vóór je rijden, zij die naast je rijden en zij die achter je rijden. They’re all on drugs. Je móet.’

Ik voelde hoe mijn blik afdwaalde naar mijn ploegmaat. In zijn ogen las ik dat hij zijn
beslissing al genomen had, alsof er geen andere keus was dan ja te zeggen, alsof het een voorstel uit duizenden was dat ons hier werd gedaan.

Die middag in Girona liet ik mij voor het eerst doperen. De zenuwen koppeltjeduikelden in mijn maag toen ik zag hoe de naald mijn ader doorboorde. ’s Avonds belde ik naar huis, naar Salt Lake. Ik kon mijn tranen niet binnenhouden. Mijn belofte, die ik als heilig had beschouwd maar die breekbaar bleek als een antieken vaas, week vanaf die dag niet meer uit mijn gedachten: nooitnooitnooit zou ik mij met drugs inlaten. Never. Tot dat moment.

___________________
Dit is een geromantiseerde versie van de bekentenis die wielrenner David Zabriskie deed in het proces tegen Lance Armstrong. Die bekentenis is hier te vinden.