Hoe D66 rechts en belegen werd

D66 zou het politieke systeem opschudden. Maar de partij is een enclave geworden voor gegoede eurofielen op leeftijd. De eigen kopstukken hebben bovendien lak aan de ‘kroonjuwelen’. Net nu hervormingen meer dan ooit nodig zijn. Zonde!

Bij zijn alweer derde optreden als lijsttrekker van D66 sleepte Alexander Pechtold op 12 september twaalf Kamerzetels in de wacht. Geen blamage, want twee zetels méér dan in 2010, maar toch zal Pechtold in stilte hebben beseft dat hij nog altijd niet heeft kunnen tippen aan de topscores van de meeste van zijn voorgangers. Niet aan de veertien zetels van Els Borst (1998), niet aan de zeventien zetels van Jan Terlouw (1981) en al helemaal niet aan de vierentwintig zetels van Hans van Mierlo (1994).

Dat de Democraten al sinds de jaren negentig van de vorige eeuw niet meer electoraal hebben gepiekt, is een beetje merkwaardig voor een partij die er prat op gaat vóór alles modern en eigentijds te zijn. Bovendien leken juist de laatste jaren de omstandigheden voor D66 relatief gunstig. Geen afsplitsingen zoals bij de VVD (Rita Verdonk) en de PVV (Hero Brinkman), geen dissidenten zoals bij GroenLinks (Tofik Dibi) en het CDA (Ad Koppejan en Kathleen Ferrier), geen mislukte nieuwe leiders zoals bij de SP (Agnes Kant) en de PvdA (Job Cohen).

Maar laten we ons niet vergissen: dat er van intern gedoe geen sprake was, wil niet zeggen dat er bij D66 niets is veranderd.
Integendeel. Neem, om te beginnen, de gretigheid waarmee Pechtold zich de afgelopen jaren heeft geprofileerd als ‘anti-Wilders’, lees: als vertolker bij uitstek van politiek correcte c.q. antipopulistische standpunten inzake immigratie en integratie. Typisch D66? Dat is maar zeer de vraag. Want vroeger klonken bij de Democraten ook heel ándere geluiden.

Uit de mond van bijvoorbeeld Hans Gruijters (1931-2005), de roemruchte oprichter en allereerste minister van D66. Nog vóór Hans van Mierlo in beeld kwam, legde hij samen met de schoolvrienden Peter Baehr (1935-2010) en Erik Visser (1935-1997) de fundamenten voor de partij. Veel van Pechtolds multiculturele pleidooien zouden door Gruijters vermoedelijk direct zijn afgedaan als wereldvreemde, soft-christelijke prietpraat.

Feiten onder ogen zien en dan nuchter nadenken, zonder je brein te laten benevelen door taboes, dogma’s, ideologieën of Leger des Heils-achtige frases, dáár ging het Gruijters altijd om – en daar diende het volgens hem ook bij D66 om te gaan. Vandaar dat Gruijters reeds begin jaren tachtig – Pim Fortuyn was nog marxist en Paul Scheffer nog lid van de CPN – verklaarde dat het volle Nederland geen immigratieland kon zijn. Vandaar ook dat Gruijters in 1993 – hij was inmiddels burgemeester van Lelystad – pleitte voor een stop op het toelaten van asielzoekers. “Nederland kan de problemen van de wereld niet oplossen. Als we deze mensen blijven opnemen, vergroten we alleen maar de problemen.”

Lees de rest van dit stuk in het huidige maandblad. Een voordeling proefabonnement schaft u hier aan.