Deze wielrenster was een paffende zuipschuit

Bij het opruimen van de kledingkast kwam ik mijn oude werkblouse uit de Drie Gezusters Pub in Groningen tegen. Volgekalkt met lieve wensen van collega’s, die het allemaal jammer vonden dat ik de kroeg na al die jaren ging verlaten nu ik afgestudeerd was. Inmiddels zijn ze zelf ook zo’n beetje allemaal goed terecht gekomen, maar wat een stelletje waren wij, dacht ik toen ik de teksten op de blouse terug las. Wat een tijden waren dat!

Werken van negen tot vijf betekende werken van 21.00 uur tot 5.00 uur. Op drukke avonden draafden we met volle dienbladen kilometers over dat enorme terras op de Grote Markt, op rustige avonden vermaakten we ons met allerlei wedstrijdjes. De meeste konden het daglicht niet echt verdragen, maar onze favoriet was gek genoeg heel braaf: het wedstrijdje wie de meeste halve liters bier kon uitserveren.

Er pasten er precies dertien op een dienblad, dat op je linkerhand balanceerde, en als je grote handen had kon je in je rechterhand nog eens vijf halve liters vasthouden – we schonken bier in van die pullen met een groot oor. Trainen deden we met pullen water. Ging iemand voor het echie, dan stonden we allemaal gespannen toe te kijken hoe de bijna onder het gewicht bezwijkende ober de vijf treden van de trap af en het terras op zwalkte. Intussen legden we snel wedjes of ‘ie overeind zou blijven of niet. Ik heb geen grote handen, dus dat wedstrijdje halve liters heb ik nooit gewonnen.

Wat ik wel heel goed kon, was zuipen na werktijd. Geen wonder dus dat ik in die periode bijna twintig kilo zwaarder was dan nu. En roken, dat kon ik ook goed. Dat mocht toen nog in de kroeg. En klaverjassen. En dat allemaal tegelijk. Op een avond kwam er een cameraploeg van de NOS binnen. We zaten met een paar collega’s aan de stamtafel te kaarten en volgens mij moest de verliezer een shotje van het een of ander drinken. Hoe dan ook: ik was al niet meer helemaal toerekeningsvatbaar, of liever: helemaal niet, maar ik realiseerde me nog net dat mijn ouders binnenkort waarschijnlijk via het Journaal zouden vernemen dat ik rookte. Dat was niet echt de bedoeling, dus verborg ik mijn hand met sigaret onder de tafel, ondertussen niksaandehanderig doorklaverjassend en doorzuipend.

Rampzalig genoeg bleef het niet bij één keer uitzenden in het NOS Journaal. Kennelijk was ik goed archiefmateriaal voor onderwerpen over de verderfelijkheid van alcoholgebruik door de jeugd en roken in cafés, want iedere keer als het Journaal daar een item aan wijdde, ja hoor, dan kwam ik weer voorbij. Met mijn bolle dronken kop, een keur aan lege, volle en halfvolle drankglazen voor me en mijn nogal opvallend onder de tafel verstopte sigaret. Jarenlang kreeg ik regelmatig zo rond acht uur ’s avonds smsjes van vrienden en bekenden: Hee De Vries! Je bent weer op tv! Lekkerrrrrr hoor!

De collega’s van toen komen er zo langzamerhand achter wat ik nu doe. Ze kunnen het bijna niet geloven. Die ouwe zuipschuit, wielrenner?! En mijn huidige ploeggenoten kunnen zich op hun beurt niet voorstellen dat er tijden zijn geweest dat ik twintig kilo zwaarder lallend en paffend in de kroeg hing. Inmiddels krijg ik al heel lang geen smsjes meer tijdens Journaaluitzendingen. Ik denk dat ik geschrapt ben als archiefmateriaal. En daar ben ik in mijn huidige functie ook wel blij om. Och, hoewel. Ik denk eigenlijk niet dat iemand me nog zou herkennen.