Mijn economische raad is goed, maar niemand luistert!

Zo nu en dan sta ik even stil bij mijn gevoel over mijn werk en denk ik, laat ik dat eens delen. (Ja, ik weet het, daar zit u niet op te wachten.)

Laat ik hier mee beginnen: het is niet algemeen bekend, maar wel waar, dat je op academisch vlak zeer succesvol kunt zijn en toch weinig zelfvertrouwen kunt hebben. Je stukken worden gepubliceerd, je krijgt gezag, misschien zelfs wel een prijs hier en daar: alles wijst er op dat je collega’s geloven dat je weet waar je over praat. Maar is dat ook zo? Of kun je jezelf gewoon goed verkopen?

Er zijn academici die dat niet zo veel kan schelen, misschien zijn dat er zelfs heel veel. Ze hebben een mooie carrière opgebouwd en een goed leven, dus waarom moeilijk doen. Maar als je echt om je werk geeft en niet alleen om je carrière, dan blijf je je altijd afvragen of je kennis ook klopt.

U zult wel geraden hebben dat ik het een beetje over mezelf heb. Mijn werk is me altijd zeer aan het hart gegaan en ik heb altijd geprobeerd om niet alleen een carrièreman, maar ook een echte wetenschapper te zijn. Ik heb een geweldige carrière gehad met alle toeters en bellen en toch twijfelde ik tot 2008 nog aan mezelf. Ik een stemmetje in mijn hoofd dat fluisterde dat ik ‘misschien leuke schemaatjes in elkaar kon zetten en aardig kon schrijven, maar dat dat nog niet betekende dat ik ook begreep hoe de wereld in elkaar stak.’

En toen kwam de crisis – een crisis die helemaal in mijn straatje paste. In de jaren ’90 van de vorige eeuw raakte ik geobsedeerd door de situatie in Japan en ik denk dat ik met een gerust hart kan zeggen dat ik als eerste over de moderne versie van de ‘liquidity trap’ ben gaan schrijven. Het Japanse probleem heb ik benaderd op dezelfde manier waarmee ik ongeveer alle economische problemen benader, door een gestileerd, minimalistisch model te maken, waar de beschikbare feiten in pasten en waar duidelijke conclusies uitkwamen.

Maar werkt zo’n analytisch model ook in het echt?

Nou, ik heb mijn ideeën aan de werkelijkheid kunnen toetsen. De mensen die in mijn modelletjes geloofden, deden aan de hand daarvan duidelijke voorspellingen over hoe de wereld zich na de crisis zou ontwikkelen. Deze voorspellingen stonden haaks op wat anderen zeiden: wij beweerden dat overheidstekorten van biljoenen dollars de rente niet zouden opdrijven, dat het verdriedubbelen van de monetaire basis niet tot inflatie zou leiden, dat de bezuinigingen van de overheid de economie niet zouden helpen door het vertrouwen te vergroten, maar juist kwaad doen door de vraag te verkleinen en dat dit laatste een groter effect op de economie zou hebben dan in een normale situatie.

De mensen die het hier allemaal niet mee eens waren, waren niet alleen academici maar ook grote spelers in de politiek en bekende investeerders.

En kijk nou eens: de modellen werken. Ik was toch niet alleen goed in het verkopen van mezelf, nee ik weet echt waar ik over praat. Dat is fantastisch! Alleen is nu de ene vorm van ongerustheid vervangen door de andere. Het is fijn om te weten dat ik niet alleen maar een mooie carrière voor mezelf aan het opbouwen was; maar het is niet alleen frustrerend, nee het is doodeng om te zien hoe de mensen die aan de touwtjes trekken al het harde bewijs en de verzamelde kennis aan de kant schuiven en weer dezelfde fouten maken als in de jaren ’30.