Dank u bloeddonor, u redde mijn zusje

Het was een paar weken geleden, we zaten in de auto en hadden een gesprek over donor zijn. Ik ben dat niet. Ik vind ziekenhuizen en alles wat met ziekenhuizen te maken heeft eng, en ik heb wel eens horrorverhalen gehoord over het verwijderen van organen als de patient nog niet eens goed en wel overleden is.

“En bloeddonor?” vroeg mijn vriend, “zou je dat willen zijn?”
“Nee!” riep ik.

Ik ben namelijk nooit over mijn prikangst heen gekomen. Als ik bloed moet laten prikken, wat al vaak gebeurd is, krijg ik nog steeds zweethandjes en een licht gevoel in mijn hoofd. Het is noodzakelijk dat ik een andere kant op kijk, bij het zien van de naald ga ik van mijn stokje.

Het idee dat mijn bloed in iemand anders’ lichaam wordt gestopt, vind ik bovendien heel raar. Een beetje een vies idee. Daarvoor is het toch niet gemaakt. En daarbij krijg ik in bloedbanken en andere medische instellingen minstens evenveel buikpijn als in ziekenhuizen en wil ik daar nooit zijn.

“Het is wel goed om het te zijn…” zei vriend.
“Nou en,” zei ik.
“Mijn ouders hebben jarenlang bloed gegeven,” zei hij.

Zijn ouders doen altijd alles goed en dat is een beetje irritant, dus dit was bijna een extra reden om géén bloeddonor te worden.

Het was maandag. Ik zat naast het ziekenhuisbed, er in lag mijn zusje. Ze was lijkbleek en haar armen zaten vol met blauwe plekken van alle infusen en prikken die ze de afgelopen 48 uur had gekregen.

Ze vertelde me wat er was gebeurd. Voor zover ze het zelf wist tenminste, want helemaal duidelijk waren de artsen niet geweest. Misschien wilden die hun eigen fouten verhullen, of wisten ze zelf ook niet precies waar het mis ging. Maar het ging mis. Omdat de operatie niet goed was uitgevoerd, was er vier liter bloed uit haar lichaam gestroomd. Een volwassen mens heeft, weet ik nu, slechts vier tot zes liter bloed.

Zusje herinnerde zich nog hoe ze zich voelde net voordat er met spoed werd overgegaan tot een tweede operatie. Ze herinnerde zich ook de gesprekken van de artsen om haar heen, de paniek, en haar eigen angst dat dit misschien de laatste gesprekken waren die ze zou horen in haar leven.

Gelukkig liep het anders. Ze kon weer praten, en zelfs lachen, ik zat naast haar. Ze heeft nieuw bloed gekregen.

“Vind je het niet bijzonder,” vroeg ze me, “dat iemand zomaar zijn bloed heeft gegeven, zonder er iets voor terug te krijgen?”

Als ze weer helemaal beter is, wil ze zelf bloeddonor worden, voegde ze toe.

Ik keek naar haar, en dacht aan het gesprek een paar weken geleden in de auto. Ik dacht er aan dat mijn prikangst en ziekenhuisangst, mijn recalcitrante houding en niet-op-mijn-schoonouders-willen-lijken allemaal nogal kinderachtig kleurden in het licht van wat er nu was gebeurd. Ik nam me voor over die angst heen te komen. Als ze het willen hebben bij de bloedbank, als de kwaliteit hoog genoeg is, zal ik overwegen om bloed te geven. Ik zal er tenminste over nadenken. Ik zal een folder aanvragen, ik zou best op mijn tanden kunnen bijten en de andere kant op kijken.

Dank u, anonieme bloeddonor, voor uw bloed. U heeft mijn zusje’s leven gered.