De figuranten uit je roman snappen het nooit

Er bestaan chiquere figuren dan Heleen van Royen om te citeren. Het is volgens mij niet eens haar eigen citaat, maar ze strooit er graag mee. Omdat het waar is: When you hang out with writers, you’ll end up in books.

Ik heb niet veel van Heleen gelezen, twee boeken om precies te zijn, maar als ik  De mannentester  als voorbeeld neem, hoop ik voor de omgeving van Heleen – maar ook voor Heleen zelf – dat dit boek gebaseerd is op niet-bestaande figuren die zichzelf niet terugvinden in een roman. De personages zijn van bordkarton: bestaan deze mensen dan moet daar een hoop hulp aan te pas komen, ze zouden niet overleven in de maatschappij.

Over het algemeen zal Heleen echter vaak gelijk hebben met haar citaat: de omgeving van de schrijver is de schrijver zijn voer. Het is het eeuwige dilemma. Soms spelen zich voor de ogen van de schrijver zaken af om op te schrijven. Maar de personages zullen zichzelf herkennen, en zullen gekwetst zijn. Of vereerd, dat kan natuurlijk ook, maar ze zullen in elk geval hun eigen realiteit toetsen aan het verhaal. Schrijver en personage zullen elkaar verliezen in de vertaling van de situatie.

Aan geliefdes kan de schrijver met een lading liefkozingen nog wel uitleggen dat hij of zij in werkelijkheid echt niet zo’n lul of kutwijf is als op papier. Bij vrienden wordt het al iets ingewikkelder, maar in het meest gunstige geval krijgt hij het voordeel van de twijfel. Tegen ouders van geliefdes liegt de schrijver dat het boek nog niet verschenen is. De eigen ouders van de schrijver vernemen uit de krant dat hij twee sterren van een recensent ontvangt. ‘Is je presentatie dan al geweest?’ vraagt de moeder van de schrijver.

‘Er was nog geen presentatie,’ liegt de schrijver dan. ‘De recensent heeft een voorpublicatie besproken.’

En dat allemaal om zijn omgeving te sparen. Om de verantwoordelijkheid voor zijn teksten die anderen van hem verlangen te ontlopen.

Aan censuur wil de schrijver zich niet overgeven, maar zonder vrienden en familie zou hij maar aan de drank raken en komt er überhaupt niets op papier. Daar ergens tussenin ligt de oplossing voor dit probleem, is de voor de hand liggende gedachte. In werkelijkheid wordt de balans in evenwicht gehouden door blije en boze figuranten uit het verhaal.

Zo was ik vorige week op het kantoor van mijn uitgever. Op deze plek had ik beschreven hoe hij mij een contract aangeboden had. Dat ging in mijn ogen nogal gemakkelijk. Hij had zich niet herkend in mijn verhaal. Mijn personage was niet tevreden. Ik zei hem dat ik me niet herkende in zijn lezing van het verhaal. We zijn er niet uitgekomen.

De meest aantrekkelijke boekhouder van Amsterdam vatte een andere column anders op. De anekdote dat de ene schrijfster de andere schrijfster adviseert fouten in de aangifte te maken zodat je bij hem, de meest aantrekkelijke accountant van cultureel ondernemend Amsterdam, langs moet komen op kantoor om er samen nog even naar te kijken, blies hij leven in.

Ik ontving een bericht dat er fouten in mijn administratie zaten. Ik baalde van dat bericht. Er zitten altijd fouten in mijn administratie. Normaal lost de boekhouder dat zelf op. Kennelijk waren de fouten nu van dergelijke omvang dat zelfs hij er niet uit kwam. Ik ontloop de boekhouder al jaren uit schaamte voor mijn verlate aangiftes en betalingen, ik had geen herinnering aan wat voor fysiek ik aan zou treffen.

De boekhouder gaf mij cola-light. Hij had wat vragen opgeschreven. Hij had iets weg van een vaak beschreven ex-geliefde. De fouten bleken overkomelijk. Ik keek in de ogen van de meest aantrekkelijke boekhouder van Amsterdam.

‘Ik las je column,’ zei hij en gaf me een knipoog.

Ik besefte op het kantoor van de meest aantrekkelijke boekhouder van Amsterdam dat ik was ingesloten door mijn eigen verhaal.