Verslavend: extreem fietsen in je vakantie

Ik ben verslaafd. Want het slaat natuurlijk nergens op als je om half zes opstaat als je op vakantie bent, op Curaçao nog wel. Terwijl je in je rustperiode zit, dus eigenlijk niets anders moet doen dan eten en uitrusten. En niet fietsen. Maar ik kan het gewoon niet laten.

Dus spring ik om kwart over zes in de auto en rijd ik naar een buitenwijk van Willemstad, waar Erik op me wacht. In het vroege ochtendlicht staat hij de banden van twee mountainbikes op te pompen. Dat heb ik hem nog nooit zien doen. Bier tappen wel, vroeger. Dat kon hij heel goed. En bier drinken ook. Met Erik werkte ik in die beruchte kroeg in Groningen, waar wij ons vrolijk een leveraandoening dronken en een longziekte rookten. Dat laatste deed ik alleen, want – opdat ik geen roddels de wereld in help – Erik rookte niet.

Erik woont nu op Curaçao en heeft zijn leven ook gebeterd. Sterker, hij is zo verslingerd geraakt aan mountainbiken dat hij tegenwoordig meedoet aan extreme tochten op de Antillen en er zelfs eentje organiseert op Sint Maarten. Geen betere gids dan Erik dus. Ik had nog tegen hem gezegd dat ik eigenlijk niet fietsen moet. Maar rusten. Maar los gaan we, om klokslag 7 uur, voor de ergste hitte uit.

We rijden door zoutmeren – “Het water staat hier normaal niet zo hoog hoor, regenseizoen hè” – tot aan onze assen in het water soms. Over gravelpaadjes waar een uur eerder een tropische regenbui nog een klein riviertje in heeft getrokken. We fietsen naar het flamingomeer. (Eerder deze week heb ik me daar aan de oever lichte staar staan turen in de hoop zo’n beest te spotten, want flamingo’s in het wild zien is toch best bijzonder, dat moet je thuis kunnen vertellen, en inderdaad meende ik na verloop van tijd in de verte een roze stipje te ontwaren. Maar dat kan van alles zijn geweest, want inmiddels zag ik vanwege het staren bij felle zon talrijke bontgekleurde stipjes.) Tot mijn stomme verbazing stuurt Erik zijn fiets, hup, de flamingoplas in. Dat zouden we in een Nederlands natuurgebied eens moeten proberen. Nu rijden we zo dicht langs de flamingo’s dat ik ze met mijn bidon dood kan gooien. Bij wijze van spreken.

We hobbelen over strandjes met dikke lagen dood koraal, dat niet knerpt zoals stenen, maar eerder tingelt onder onze wielen. Intussen glijdt mijn zonnebril continu naar het puntje van mijn neus, het zweet druipt aan alle kanten van me af. We fietsen de single trails (paadjes zo smal dat je er niet naast elkaar kan fietsen) van de Zeven Heuvelen in. Het regenseizoen heeft ook hier huisgehouden: de paadjes zijn helemaal dichtgegroeid. We rijden dwars door de struiken. Struiken met enorme doornen. Met zijn blote handen baant Tarzan Erik een weg voor mij door de bush. Toch halen we onze armen en benen open en moeten we regelmatig stoppen om onze sturen en derailleurs te ontdoen van gebladerte. Ik blijf met mijn hand haken in een iets te plots opduikende cactus. Naalden onder mijn nagels. Maar ik voel het nauwelijks.

Bij terugkomst in de bewoonde wereld zie ik eruit alsof ik met een kat gevochten heb. En Erik op z’n minst met een tijger – hij heeft zelfs zijn gezicht opengehaald. Maar het geeft niet. Zo heb ik tenminste een herinnering aan een van de mooiste avonturen van het jaar. Ik schrijf dit met van de schrammen schrijnende armen. Terwijl ik nog steeds op vakantie ben, op Curaçao, en ik dus eigenlijk in de zon zou moeten liggen. En geen stukjes zou moeten tikken. Maar ik kan het niet laten. Want schrijven over fietsen is nu eenmaal het mooiste dat er is. Op fietsen na, dan.

Extra extra! Check hier de route!