Help, ik heb een schoonmaakster!

“Neem zodra je gaat samenwonen een schoonmaakster.” Dat was het advies van een relatietherapeut die ik ooit sprak. Niet ruzies uitpraten, leuke dingen doen samen of desnoods vaker met elkaar naar bed gaan, waren volgens de therapeut het ingrediënt voor succesvol samenwonen. Nee, een schoonmaakster.

Deze zomer leerde ik haar kennen, ze klopte op de deur. “Kunt u alstublieft die deurmat eens uitkloppen?! Hij ziet er niet uit!” Ze moet een jaar of 55 zijn en spreekt plat Amsterdams, hoewel ze vermoedelijk is geboren in een land dat meer in het zuiden ligt. “Je moet ook eens dat trappenhuis schoonmaken!” vervolgde ze streng. “Iedereen in de flat doet dat.” Ze was de moeder van mijn buurvrouw.

We raakten aan de praat, ik zei dat ik een schoonmaakster zocht en zij zei dat ze dat was. Ze gaf me haar nummer, en ik ging snel mijn deurmat uitkloppen. Een paar dagen later stond ik braaf met een emmer met sop in het trappenhuis. Dit moest wel de ideale schoonmaakster zijn.

Schoonmaakverdeling
Sinds deze zomer woon ik samen met mijn vriend en vrij snel hadden we het over een schoonmaakster. Voor die tijd vond ik het huishouden altijd iets dat je zelf moet doen. Ik vind stofzuigen, dweilen en de wc boenen niet eens verschrikkelijk stom werk. Zelfs rustgevend, af en toe.

Maar het kost zoveel tijd. En als de kinderen thuis zijn, lukt het nauwelijks: dus het moet tijdens werktijd. En dat is zonde van die werktijd. Bovendien vind ik het niet eerlijk als ik in mijn eentje alles moet schoonhouden en werkt mijn vriend ook tijdens werktijd en heeft ook hij niet bijzonder veel zin ’s avonds na een lange dag werken nog uren te soppen en boenen. Toen ik een keer heel cliché begon te zeuren over een oneerlijke stofzuig-uren-verdeling, kwam de schoonmaakster dus ter sprake.

Het heeft een paar maanden geduurd voor ik aan het idee kon wennen. Het feit dat sommige van mijn beste vrienden er eentje hebben, scheelde. Langzaam kom ik over mijn ‘ik kan het toch zelf’ heen. En over het ongemakkelijke gevoel dat ik altijd kreeg bij het idee dat een vreemde aan mijn spullen zou zitten. Het zou toch ook wel heel erg makkelijk zijn, dacht ik…

Mevrouw Helderder
Vanmorgen kwam ik de moeder van de buurvrouw weer tegen in het trappenhuis. “Wilt u nog steeds bij ons schoonmaken?” vroeg ik haar voorzichtig. De tijd leek me rijp. Ik had lang genoeg aan het idee kunnen wennen, en het huis was een rotzooitje.
“Ja, maar als je me niet belt, kan ik ook niet schoonmaken hè?!” beet ze me verwijtend toe. Direct voelde ik me schuldig. “Sorry, we hadden het erg druk… Maar we zouden het nog steeds graag willen.”

En nu is het zover. Morgen komt ze. Ik weet zeker dat ik de strengste schoonmaakster heb gevonden uit de hele stad en dat ik me bij haar voortdurend schuldig zal voelen én een slordige sukkel. Sinds deze afspraak staat, heb ik opruimstress. Het moet natuurlijk wel opgeruimd zijn, voor háár. De vuilniszak die stonk, moest zo snel mogelijk naar buiten. Ze mag niet zien dat er nog steeds lege verhuisdozen in de hal staan, die moeten nog naar de kelder. Alles wat ik zie hier in huis, sinds ik de afspraak heb gemaakt, voelt als een doorn in het oog. Zij is mevrouw Helderder en wij zijn de familie Flodder.

Ik heb de keuken inmiddels opgeruimd, het aanrecht gesopt, het fornuis wil ik nog doen. En het speelgoed, al heb ik geen idee waar dat allemaal naartoe moet. Zal ik de wc ook alvast doen? Een klein beetje? De komende vierentwintig uur zal ik uitsluitend bezig zijn met opruimen en schoonmaken. Ik zal niet rusten voordat het huis toonbaar is. Ze mag het stof in de boekenkast niét zien, het nog niet weggegooide oud-papier ook niet. Ik wil graag een goede indruk maken.

Misschien ben ik vanaf nu wel de rest van mijn leven bezig met schoonmaken, voor als de schoonmaakster straks komt.