Wat pesten met je doet

Misschien was ik wel nooit wielrenster geworden als ik vroeger niet gepest was. Ik zat op een klein dorpsbasisschooltje, in een klas van vijf jongens en vijf meisjes. De meisjes pestten me. Of althans: één meisje pestte, zij was de aanvoerder, de andere drie deden met haar mee.

Ik was lelijk. En stom. Vooral heel stom. Mijn pester was ontzettend goed in verhalen over mij verzinnen. Over dingen die ik haar zogenaamd aandeed. Ik had haar paard – ze reed paard – geslagen, bijvoorbeeld. Met een zweep. De hele school geloofde het en vond mij een dierenbeul. Dat soort dingen, de ene dag wat meer dan de andere dag, acht jaar lang.

Pauzes
Heel wat pauzes heb ik achter de fietsenstalling doorgebracht, onder de hazelnotenstruik, om maar uit hun buurt te zijn. Heel wat pauzes heb ik erover gefantaseerd om naar huis te rennen en niet meer terug te gaan naar school. Heel wat pauzes heb ik ook meegedaan met het pesten van andere kinderen; dan was ik die pauze tenminste een keer niet zélf het slachtoffer.

Ja, er werd veel gepest op onze school in de tijd dat ik er naartoe ging. Er werd zo goed als niets aan gedaan, want het schoolhoofd was stellig van mening dat ‘pesten op zijn school niet voorkwam’. Ik denk nog wel eens aan die andere kinderen, die nu volwassen mannen en vrouwen zijn, en vraag me af hoe het met hen gaat. Hoeveel last zij er nog van hebben. Sommigen werden nog veel erger gepest dan ik.

Op de middelbare school hield het pesten min of meer op. Maar ik had nooit geleerd om mezelf te zijn. Ik had niet geleerd dat mensen je kunnen waarderen om wie je bent. Dat dat bestónd. Niemand had me ooit verteld dat ik goed was zoals ik was, dat ik leuk was, dat ik er mocht zijn, no matter what.

Moe en ongelukkig
Ik dacht dus – met mijn kinderbrein dat ook niet beter wist – dat mijn klasgenoten me alleen leuk zouden vinden om wat ik kon, en deed. En dus deed ik stoer. Zette ik de klas op stelten. En voelde ik me intussen doodmoe en ongelukkig. Ik wist toen niet waarom, maar nu wel: van de hele dag een toneelstuk opvoeren word je doodmoe en ongelukkig. Maar ik wist niet beter, ik wist niet hoe het anders moest. Maar hoe wanhopig ik ook mijn best deed, ik vond geen aansluiting. Ik hoorde er niet bij. Tenminste, niet echt. Geen wonder, als je een act opvoert – en dus jezelf niet eens accepteert zoals je bent.

Pas toen ik ging studeren, op m’n achttiende, kwam ik mensen tegen die me vanaf het begin onvoorwaardelijk waardeerden om wie ik was. De schellen vielen me van de ogen. Zó is dat dus! Zó voelt dat! Langzaam ontspande ik. Langzaam verdween het toneelspel en kwam ik tevoorschijn. Langzaam kwam ik ook tot de ontdekking dat mijn pester van de basisschool er zelf ook niet veel aan kon doen, dat zij het misschien zelfs wel moeilijker had gehad dan ik.

Ze was de jongste dochter uit een gezin met een zwaar gehandicapt meisje en een jongen die – laten we zeggen – het zwarte naaigaren niet had uitgevonden. Alle hoop was op haar gevestigd. Alle druk lag op haar schouders. En met wie zat ze in de klas? Met mij. Het meisje dat alles nét iets beter kon. Beter sporten, beter tekenen, beter leren. Dus deed zij het enige waar zij beter in was: pesten.

Mijn verleden is natuurlijk absoluut niet te vergelijken met dat van Tim Ribberink. Maar het heeft me wel getekend voor het leven – dat is namelijk wat pesten met je doet. Want ondanks dat ik mijn pester nu begrijp en ik het haar niet meer kwalijk neem, heb ik er nog wel dagelijks last van. Ik ben achterdochtig. Ik kan niet geloven dat mensen me ‘zomaar’ een sympathiek mens vinden. Het ‘Je bent stom’ zit zo diep in me.

Ik hou dus altijd een slag om de arm, hou er altijd rekening mee dat mensen me plotseling zouden kunnen afwijzen. En dat is heel irritant. Niet alleen voor mezelf, maar ook voor de mensen om me heen. Want ondanks dat ik het met mijn verstand best weet, wil ik van de mensen om wie ik geef of in situaties die ik belangrijk vind tóch graag horen dat ik niet afgewezen word. Dus vraag ik om bevestiging. Tot vervelens toe.

Kijk wat ik kan!
Gek genoeg wordt de laatste jaren de gedachte dat het pesten misschien ook wel een positieve invloed op mijn leven heeft gehad steeds sterker. Ik denk namelijk dat ik er extra ambitieus door ben geworden. Ik was altijd al een strebertje. Dat zit in de genen. Maar als je daar bovenop als kind niet gewaardeerd wordt, krijg je dubbel de neiging jezelf te laten zien – in het kinderbrein de enige manier om waardering te oogsten, immers. Kijk wat ik kan! Zie mij!

Het is niet een eigenschap waar ik trots op ben, die soms bijna ziekelijke ambitie. Maar ik weet zeker dat het ervoor gezorgd heeft dat ik mijn plan om wielrenster te worden heb volgehouden. Ondanks tegenslag, ondanks moeilijke en zware momenten. Koppig volhouden, laten zien dat je iets bijzonders kunt verwezenlijken, als je dat écht wilt. Maar toch. Als ik had mogen kiezen. Dan was ik liever niet gepest, was ik geen wielrenster geworden, maar had ik me wel mijn hele leven de moeite waard gevoeld.