Vertel elkaar dat we er mogen zijn

Het geheugen is een vreemd apparaat. De afgelopen week heb ik een handvol reacties gehad van oud-schoolgenoten op mijn ‘pestgetuigenis’. Geen van allen konden ze zich herinneren dat ik gepest werd, of dat ze er zelfs aan mee hadden gedaan. Ze schreven me dat ze zich mij herinnerden als een vrolijk en spontaan kind. “Ik vond jou als een vlinder. Ontspannen, vrij, gelukkig en creatief en juist erg jezelf,” reageerde iemand zelfs.

Dat was confronterend om te lezen. Niet het feit dat mijn schoolgenoten zich niets van het pesten herinnerden. Maar dat ik kennelijk zo goed in staat was om verborgen te houden hoe ik me voelde, dat schokte me. Zoals zij mij omschreven, heb ik me geen moment gevoeld. Dat zij niets meer wisten van het gepest, daar had ik op gerekend.

Vergeten
Als je dingen doet of zegt die voor jou weinig tot geen impact hebben, vergeet je ze vaak. Dat is normaal. Alleen indrukwekkende dingen sla je op. Pesten heeft weinig impact op degene die het doet en verdwijnt al gauw in de brei van herinneringen aan knikkeren, schoolfeesten, een slecht rapportcijfer en boompje klimmen. Gepest worden daarentegen overstemt de herinnering aan al dagelijkse kinderactiviteiten, dat vergeet je een leven lang niet.

Hoe dat is, om je iets dat voor een ander heel indrukwekkend is niet meer te herinneren, ervoer ik afgelopen week zelf. Ik sprak vanwege mijn optreden in tv-programma Debat op 2 met oud-collega S. van jaren geleden. We kregen het over een gezamenlijke kennis van toen, die ik hier maar even K. noem.

Krassen
“Je weet wel,” zei S., “K., die zichzelf sneed.” Die zichzelf sneed?! Ik had geen flauw benul waar S. het over had. “Weet je niet meer dat hij allemaal krassen op zijn armen had?” vroeg S. Nee, dat kon ik me echt niet herinneren. “Je hebt er zelfs nog een keer naar gevraagd,” voegde S. eraan toe. “Je vroeg hoe hij aan die krassen kwam. En ik dacht nog: Marijn! Niet doen! Dat kun je echt niet vragen!” Ik staarde S. perplex aan. Hij vervolgde: “Maar hij begon over een verhuizing en dat hij zijn armen aan uitstekende spijkers had open gehaald. Het kwam er heel overtuigend uit. Kennelijk had hij die vraag al vaker gehad, of zich erop voorbereid.”

Bizar genoeg herinner ik me niets van dit voorval. Echt helemaal niets. In eerste instantie dacht ik dat ik destijds nog nooit van automutilatie had gehoord. Maar ik was toen een jaar of 23, dus dat kan ik me niet voorstellen. Kennelijk heb ik de link nooit gelegd. Deden de krassen op de armen van K. geen bellen rinkelen en hadden ze dus totaal geen impact.

Hoe naïef kun je zijn, denk ik nu. En wat onzorgvuldig, wat lomp eigenlijk, om niet te zien wat er kennelijk overduidelijk aan de hand was. S. heeft er nog vaak aan teruggedacht, omdat het op hem wél veel indruk gemaakt heeft. Ik wilde dat ik toen wat opmerkzamer was geweest.

Waardering
Afgelopen week heb ik een stroom aan reacties gekregen op mijn column over gepest worden, en op mijn optreden in Debat op 2. Nog nooit heb ik van zoveel mensen, vrienden en onbekenden, gehoord dat ze me waarderen. Dat ze me leuk vinden. Dat ik er mag zijn. Ik ben een scepticus, en meestal ook cynisch, maar na afgelopen week, na deze twee verhalen over de al dan niet aanwezige impact van gebeurtenissen op je herinneringen, denk ik, heel zijig misschien: laten we elkaar vaker vertellen dat we er mogen zijn. Opdat we dat nooit vergeten. En het ons altijd blijven herinneren.