Weg met ‘en-dan-heb-ik-iets-van’

Praten zonder stopwoorden is onmogelijk. Zelfs de vloeiendste spreker gebruikt stopwoorden, al was het maar de eh-klank, om van de ene naar de andere gedachte te springen, om denkpauzes op te vullen, om nog even aan het woord te blijven. Vaak ook om überhaupt op gang te komen. Maar een stopwoord mag niet te lang zijn.

Het woordje ‘nou’ (variant: ‘nou ja’) is er bijzonder geschikt voor. Nieuwslezer tegen correspondent: “Het was vandaag weer hommeles in Damascus, hè?” Sander van Hoorn: “Nou, de toespraak van Assad is niet overal even goed gevallen en…”

Bruggetje
‘Nou’ kan instemming betekenen of nadere precisering of juist een relativering van de eerdere spreker. Het kan allemaal en daarom kan het ook weg, want het voegt niets toe. Tegelijk is ‘nou’ ook een onweerstaanbaar aantrekkelijk bruggetje. Je laat zien dat je de spreker gehoord en begrepen hebt, je hebt daar het jouwe over te zeggen en met behulp van een onopvallend glijmiddel neem je de beurt over. Er is werkelijk niets op ‘nou’ aan te merken, behalve als je erop gaat letten, en dan valt op dat iedereen voortdurend zijn antwoorden zo inleidt. Inclusief ikzelf. Sinds ik mezelf betrapte op aanhoudend nou-zeggen, probeer ik de frequentie ervan terug te brengen, maar dat valt nog niet mee. Het bewust achterwege laten vereist mentale inspanning en dat doet een beetje afbreuk aan de soepelheid van de conversatie.

In de NRC van afgelopen zaterdag stond een interessant artikel van Liesbeth Koenen over het gebruik van ‘ik heb zoiets van’. Volgens taalwetenschappers is dit niet zozeer een voorbeeld van wollige vaagtaal, maar hoort het tot het domein van de quotatieven (uitdrukkingen die citaten inleiden). Door middel van een quotatief kan een spreker zijn uiting in een bepaald perspectief zetten en verlevendigen. De ‘en-dan-ik-heb-zoiets-van’-spreker is een theatrale spreker die de luisteraar bij de kladden wil grijpen om hem te laten delen in zijn belevenissen.

‘Iets van’
Dat lijkt me een correcte analyse. Toch vind ik ook na deze taalkundige duiding ‘ik heb zoiets van’ nog steeds een irritant cliché dat zo veel mogelijk vermijding verdient. Ongetwijfeld komt dit door het theatrale aspect. Mensen die de hele tijd toneelstukjes opvoeren (‘en dan zeg ik tegen de buurvrouw, ik zeg: kom op, maak je niet dik’) nemen veel meer spreektijd in beslag dan nodig. Het is een wijdlopige, egocentrische manier van spreken, waarin doorgaans iets spannend wordt gemaakt wat het helemaal niet is.

De deelfunctie van ‘iets van’ is daarentegen wel sympathiek. Delen is nodig om een verbinding met de luisteraar aan te gaan. In het Frans bestaat hiervoor de fantastische constructie van het delend lidwoord. Je zegt tegen de bakker niet: ‘Avez-vous pain?’ maar ‘Avez-vous du pain?’ Een wereld van verschil. Het is veel beleefder om te vragen of er (van al het denkbare brood) iets voorhanden is, dan of er brood als zodanig is. Wil je in het Nederlands een niet te botte indruk maken, moet je wel je toevlucht nemen tot ‘iets van’ (bijvoorbeeld als antwoord op de vraag of je wat wil drinken): “Heb je iets van wijn?” klinkt aardiger dan “Heb je wijn?”

In de zegswijze ‘iets van’ is ‘van’ het sleutelwoord en ‘iets’ niet meer dan een handige slag om de arm om de ander het gesprek in te trekken. ‘Iets van’ drukt hetzelfde uit als ‘soort van’, ‘of zo’ en ‘zeg maar’. Het net wordt breed uitgegooid om een zo groot mogelijke kans te maken op instemming van de toehoorder.

Prima stopwoorden, niks mis mee. Maar ‘en-dan-heb-ik-iets-van’ is echt te lang voor een stopwoord. Wie om de paar minuten zo’n wijdlopigheid door z’n uitingen gooit neemt wel tien keer zo veel tijd in beslag als een nou-zegger. Als een stopwoord niet kort is, schiet het z’n doel voorbij en leidt het af in plaats van dat het de conversatie vloeiend maakt.

Meer leuke content? Like ons op Facebook