HAAAMID RAAAAHIMIIIII!!

Vanochtend nog heeft een Talibanstrijder net buiten Gereshk twee Britse soldaten doodgeschoten. Gereshk ligt hier nauwelijks zeshonderd kilometer vandaan. Zeshonderd kilometer, dat is niks.

Speurhonden hebben de gehele hal afgesnuffeld, de geluidsboxen zijn nog uit elkaar gehaald. Ze zoeken naar springstof, naar bommen. In en rond de zaal zijn ongeveer 1.200 soldaten aanwezig. Hun enige taak is ervoor te zorgen dat iedereen het overleeft. Dat jij het overleeft.

De straten rond het Loya Jirga-complex zijn al sinds vanmiddag afgesloten. Overal staan grote legertrucks die de doorgang blokkeren. Hoog op die trucks zitten soldaten met automatische geweren in de aanslag. Je vuisten zijn je wapens. Met vuisten begin je niets tegen een bom, zelfs niet als ‘t het meest gevreesde vuistenpaar van Afghanistan betreft.

In 1991 vertrokken jullie uit Kaboel, jij, je moeder en je broers en zussen. Een kind was je nog, een klein jongetje dat net maanden in het ziekenhuis had doorgebracht. Je was ziek geworden toen een granaat insloeg vlak naast de kleuterschool waar jij je veters leerde strikken.

Het bloed, het bloed dat opeens overal was.

Het geschreeuw, dat niet meer uit je oren wilde verdwijnen.

Je werd ziek, ziek van je eigen geheugen. Je spraak begon te haperen. Met horten en stoten bracht je af en toe nog een zin tot een goed einde, als je überhaupt al wat zei. Het bloed, het geschreeuw… Je kon er niet van wegvluchten. Nooit meer, dacht je.

Je vader woonde toen al in Hamburg. De vooruitgeschoven post, de verkenner van het familieleger van de Rahimi’s. Jullie zouden later volgen.
En toen kwam die granaat.

De reis naar Noord-Duitsland nam achttien maanden in beslag. Op de vlucht voor de oorlog en de onderdrukking, op de vlucht voor jullie eigen geschiedenis. Eenmaal in Hamburg werd je gepest bij het leven. Kinderen zijn harder dan de hardste uppercut, ze bespeuren de onzekerheid en straffen hem af. Het pesten nam almaar ernstiger vormen aan. Er moest iets gebeuren.

Op een dag sloeg je erop.
Een harde, welgemikte rechtse directe. Het volgende moment was het pesten opgehouden. Voorgoed. Je had zojuist een van de succesvolste oplawaaien uit de geschiedenis van de bokssport uitgedeeld.

Het slaan werd je wraak, op Kaboel, op Hamburg. De geur van de dood, die voor altijd in je neusgaten hangt, werd vermengd met de geur van de angst van anderen. Angst voor jou en je vuisten.

Als leider van de Real Street Boys, eindigde je op je zeventiende zelfs in de jeugdgevangenis, toen je weer eens je vuisten niet thuis had kunnen houden.
In de cel ramde je door, je beukte je vuisten tot bloedens toe op de betonnen wanden, je sloeg de schaamte voor altijd uit je lichaam. Nooit, nooit, nooit zou je nog zonder reden gewelddadig zijn.

Je moet winnen vanavond. Je moet. Moet.

Een paar jaar later was je plotseling een van ’s werelds succesvolste boksers. Je vuisten bleken de sporten van de ladder die steil tegen de muren van de maatschappij stond opgesteld.

21 gevechten, 20 overwinningen.

Nooit keerde je terug naar Kaboel, alleen in je geheugen, waar het bloed en het geschreeuw maar niet verdwenen. Je besloot een organisatie op te zetten. Fight 4 Peace. Knokken in Kaboel.

Daarom ben je hier, deze dag. Knokken in Kaboel, tegen een jongen uit Tanzania. De afgelopen dagen heb je je beter dan ooit voorbereid. Je spart 130 rondjes. Zeventig is normaal.

Na de training keerde je terug naar je hotel, de Kabul Star. Daar, op het dakterras, ging je nog een paar uur door. Schaduwboksen in de brandende zon, met je broer en je moeder als enige toeschouwers. Je moet winnen, vanavond. Je moet. Moet. Je denkt aan je vader Aminullah, wiens beeltenis is gevangen in een fotolijstje op het dressoir van de hotelkamer. Hij overleed afgelopen zomer. 87 jaar. Toch nog te vroeg.

De drieduizend gelukkigen die een kaartje hebben, moeten vier veiligheidssluizen passeren voor ze bij hun zitplaatsen arriveren. Voor de poort staan nog zeker tienduizend anderen te dringen, in de hoop op een zwart kaartje of gewoon, omdat ze erbij willen zijn.

Allemaal voor jou.

Twee Afghaanse tv-zenders zenden de wedstrijd straks live uit.

Allemaal voor jou.

In de ring gaat een imam voor in het gebed. De zaal zwijgt, uit eerbied, in gespannen afwachting. Als de imam klaar is, is het jouw beurt. In de ring staat je tegenstander al te wachten. Zijn blik is donker, donkerder nog dan zijn huid. Hij wil je verscheuren. Dan roept de speaker je naam af.

HAAAAAMIIIIID RAAAAAAAAHIMIIIII.

Daar ga je, door het smalle pad, de menigte splijt. En nog altijd zie je het bloed, hoor je het geschreeuw en ruik je de dood.

PS
Op 30 oktober 2012 won Hamid Rahimi in Kaboel in de zevende ronde van zijn tegenstander uit Tanzania. Op 12 november 2012 verscheen over dit gevecht een artikel van de hand van Maik Grossekathofer in het Duitse weekblad Der Spiegel.

———
Volg HP/De Tijd ook op Twitter

Meer leuke content? Like ons op Facebook