Damn, wat zijn die nepfietsers slecht voor de moraal

Mensen op elektrische fietsen, daar moet ik even wat over kwijt. Kunnen we die fietsen niet een speciale kleur geven? Iets fels, kanariegeel, bijvoorbeeld? Kan er niet zo’n kindervlaggetje op, niet oranje, maar fel groen? Desnoods verplichten we de mensen op die fietsen om een zuurstokroze helm te dragen – wat gezien de snelheden die ze op die krengen halen voorwaar geen slecht idee zou zijn. Hoe dan ook: ik wil het kunnen zien, direct in één oogopslag, dat ik met zo’n elektrische rotfiets te maken heb. Want, damn, wat zijn die dingen slecht voor mijn moraal.

Zo fietste ik deze week langs de provinciale weg van Kampen naar Zwolle. De wind geselde mijn gezicht. Ik reed 25, met moeite. Op het fietspad aan de overkant van de weg registreerde ik vanuit mijn ooghoek een vrouw die net als ik tegen de wind in ploegde, maar dan op een gewone fiets. Dacht ik. De lucht was grijs, de weilanden leeg. Het riet langs de sloten lag bijna plat tegen het natte gras. Vogels joegen langs het zwerk, de bomen woeien kaal. En ik waaide bijna weg. Wat een wind.

Hoe kan deze zestiger met haar praktische kapsel zo moeiteloos met mij mee peddelen?

Mijn ogen zwierven weer naar de provinciale weg. En naar het fietspad aan de overkant. Hè? Die vrouw op die fiets reed zonet toch ook op dezelfde hoogte als ik? En nu nog steeds? Hm. Dat had ik dan kennelijk niet goed gezien net. Ik haalde mijn schouders op en zwoegde voort. Mijn snelheid zakte tot 24 kilometer per uur. Het leek steeds harder te gaan waaien. Ik keek op van mijn teller en toen met een ruk naar links. Wat?! De vrouw reed daar nog steeds! Precies naast mij, maar dan aan de andere kant van de weg. Wat kregen we nou? Ik fietste wel langzaam ja, maar hoe kon deze zestiger in haar sportieve winterjack, met haar bril-met-gekleurd-montuurtje en haar praktische kapsel zo moeiteloos met mij mee peddelen?

Eigenlijk wist ik op dat moment al waarom. Mijn blik schoot naar de achteras. Zie je wel. Ze reed op zo’n elektrisch kreng. Met een grimmige blik begon ik nog harder te trappen. Wat zouden we nu beleven. Eruit gereden worden door een hippe zestiger. Al reed ze op een elektrische fiets, dan nog is dat een vernedering. Langzaam zag ik de mevrouw uit mijn linkerooghoek verdwijnen. In ’s Heerenbroek, waar de huizen de wind tegenhielden en ik mijn snelheid wat kon opvoeren, haalde ik opgelucht adem. Ik had haar afgeschud.

Een dergelijk voorval deze zomer was mogelijk nog traumatischer. Ik was in Zuid-Limburg en deed een intervaltraining op het klimmetje naar De Planck, vanuit het Belgische dorp Sint-Pieters-Voeren. Een intervaltraining betekent: zo hard mogelijk de berg op. En dan weer naar beneden en nog een keer. En nog een keer. Toen ik voor de vijfde keer omhoog reed, naar adem happend en met benen die op ontploffen stonden, zag ik plots twee bochten verder een bejaard stel fietsen. Ze reden ook omhoog.

Eigenlijk had ik me meteen moeten realiseren dat hier omhoog fietsen enkel Super Oma zou lukken. Voor gewone bejaarden was deze klim veel te zwaar. Maar afzien zorgt voor een vertroebelde blik. Ik registreerde enkel dat de bejaarden flink doorreden. Heel flink. Sterker, ik gaf alles en kwam nauwelijks dichterbij. WTF?, dacht ik. WTF, OMG, BBQ?!?! Ik gaf nog een beetje meer en geraakte bijna kotsend in de slipstream van het grijze stel. Daar zag ik wat ik natuurlijk al lang had kunnen weten: elektrische fietsen.

Om die reden dus: regelgeving voor het uiterlijk van elektrische fietsers, graag. Zodat ik al van veraf zie dat ik me niet hoef te laten demoraliseren – omdat ik met nepfietsers te maken heb.