De kat, de slang en de ezel in Marrakech

Als je een dier zou zijn binnen de muren van de oude stad kun je het beste een vogeltje zijn. De kleine, musachtige vogeltjes verzamelen zich op de platte daken van de roze of terracotta gekleurde huizen, en in de sinaasappelbomen van de riad in het Marokkaanse Marrakech waar we slapen. Als vogel heb je het beste overzicht over de chaos.

Een straatkat zijn is ook niet slecht. Je zal wellicht last hebben van vlooien en je wordt misschien niet oud, maar je zal genoeg vlees kunnen stelen (of krijgen?) van de kramen waar dat wordt klaargemaakt en restjes kunnen vinden op de terrassen om van te kunnen leven. Katten houden bovendien, heb ik me laten vertellen, van de brandende zon op hun vacht. Ik zag vandaag een mooie gestreepte kat die een beetje op de onze leek met een glibberig stuk darm in zijn bek.

Als slang zou je kunstjes doen voor voorbijgangers. Ik weet niet precies of je als slang zou begrijpen wat ‘kunstjes’ zijn maar er zouden mannen om je heen muziek maken, op trommels slaan en op fluiten blazen en jij zou daar als slang voor de kop omhoog steken en je kraag omhoog zetten.

Een kip zijn is een stuk minder plezierig. Nu geloof ik dat een kip zijn in alle landen waar kip op grote schaal gegeten wordt, weinig plezierig is. Ik zag er een paar bij elkaar gepropt zitten in kleine hokjes, half kaalgeplukt en nauwelijks nog bewegend. In het winkeltje waar de hokjes onder de toonbank stonden, werden ze ook meteen geslacht en boven hun eigen hoofd verkocht. Een voordeel van hier een kip zijn ten opzichte van een consumptiekip zijn in Nederland, is dat je hier nog daglicht hebt. En dat je kunt zien wie jou koopt. Je ziet de vrouwen langs schuifelen en kletsen, op zoek naar de beste deals voor goedkope slofjes en je ziet de mannen lachen, stilstaan of knuffelen met elkaar, of verhitte discussies voeren. Sommige van de mannen kunnen ontzettend mooi zingen. Er zijn oudere mannen met gebruinde gezichten met veel rimpels en felle, lichtgroene ogen. Zij dragen mooie jurken van dikke stof met een capuchon met een punt. Er zijn ook jonge mannen in trainingspakken. Er zijn sowieso ontzettend veel mannen. Toeristen maken graag foto’s van de gerimpelde Berberse gezichten voor thuis, voor boven de bank of voor op hun Facebook, maar een foto maken van iemand kost geld. De weg vragen trouwens ook.

Een paardje zijn of ezel is een hele uitdaging. Er zijn er veel, ze trekken karren voor koopmannen beladen met bananen, dadels of aardappels. Die koopmannen verkopen de bananen voor een paar dirhams aan bewoners en voor tientallen dirhams aan toeristen. De kleine paardjes zien er moe en warm uit, hoewel deze 25 graden niet eens warm voor ze zal zijn als je bedenkt dat het in de zomer zelfs 50 graden kan worden. Sommigen zijn oud of hebben een slechte vacht, veel zijn erg mager. Een enkele laat zijn tong uit zijn bek hangen. Als paard krijg je denk ik niet veel te eten of drinken, en überhaupt weinig aandacht. Stoïcijns staan ze uren stil. Zelfs de vliegen die op hun hoofden en lijven landen, negeren ze. Als de kar van de ene naar de andere plek moet, trekt zo’n paardje het voort tussen de smalle steegjes van de Medina door, tussen de honderden mensen die er lopen, tussen de toeterende auto’s en brommers. Ik geloof dat ik de paarden zielig vind, maar het is waarschijnlijk een eeuwenoude traditie. Ik weet niet zeker of het feit dat iets een traditie is, het ook goed maakt. De paardjes zullen hier niet over nadenken, ze zullen niet beter weten dan dit leven. De kans is bovendien groot dat hun eigenaren ook niet zo gek veel te eten hebben.

Het ruikt op straat naar uitlaatgassen van de brommers en oude Fiats en Dacia’s. Als de gassen voor even optrekken, ruik je de kruiden. Mensen leven op straat, ze maken muziek op straat, ze ontmoeten elkaar op straat. Ze dansen er, ze bedelen, ze drinken thee, ze kopen en ze verkopen en ze lijken nooit moe. Jonge jongens in voetbalshirts van internationale clubs voetballen in het stof op de stenen pleinen aan de randen van de Medina. Oudere mannen kijken naar de wedstrijd van Real Madrid in hun koffiehuizen en roken sigaretjes. Een paar keer per dag klinkt de roep van de honderden moskeeën.
Ik zag een vrouw op een brommer met drie kinderen: de grootste voor haar, de middelste achter haar en de kleinste (die niet ouder dan een jaar zal zijn geweest) tussen de achterste en haarzelf ingeklemd. Ik dacht er aan hoe bang en voorzichtig ik altijd ben met mijn kinderen in het verkeer en hoe belachelijk dat in dit licht lijkt.

Één dier wil je echt niet zijn. Een aapje. Ze zetten je dan op de schouders van Europeanen die daar blijkbaar graag foto’s van maken en geld voor betalen, voor kleine aapjes aan kettingen. Onder een parasol midden op het plein stond een verzameling piepkleine kooitjes met apen er in. Opgestapeld, vies en daar alleen gelaten. Uit een ervan stak een apenhandje. Het leek op een kinderhandje.

Als de zon achter de bergen in de verte verdwijnt, worden de straten nog drukker dan ze overdag al zijn. Er wordt harder getrommeld, gezongen, gelachen en opgelicht, de brommers trekken harder op, de kinderen zijn immer wakker. Hier heerst een bevrijdende onverschilligheid.
Als vogel heb je het beste overzicht over de chaos. Over de duizenden lichtjes van de stad en de rook van eettentjes, de mannen, vrouwen en kinderen die nooit slapen en de toeristen die het allemaal waakzaam gade slaan.