Pacman hoort in een museum

Eén van de meest invloedrijke musea in de wereld, het MoMa in New York, kondigde onlangs aan dat het zijn collectie gaat uitbreiden met video games. Dat werd wel eens tijd ook, want computerspelletjes zijn kunst en een uiting van deze tijd.

In de kunstwereld woedde de afgelopen dagen een flinke discussie over het feit dat Pacman en zijn vrienden voortaan deel zouden uitmaken van de collectie van het MoMa. Het is kunst, zo luidt de verklaring van de Paola Antonelli, curator van het bekende museum. En zo is het maar net. Kunstcritici spreken hier echter schande van, in hun ogen zijn videogames geen kunst.

Computerkunst
Daarbij gaat het niet om het gebruik van de computer. De computer is als medium al tientallen jaren geaccepteerd in de kunstwereld. Nog voordat het Stedelijk Museum in Amsterdam jaren dicht ging, heb ik daar ooit van multimediale kunst kunnen genieten. Veel meer dan een grote donkere ruimte half gevuld met opgehangen lakens, black light, een paar schermen en ping-plong geluiden kwam het niet. Heel knap allemaal en ik hou best van kunst en ben dol op computers, maar dit begreep ik niet. Het deed mij helemaal niets.

Dit in tegenstelling tot computerspelletjes. Ik ben er altijd dol op geweest en geniet er bijna dagelijks van. Niet alleen het spelelement vind ik interessant, ook het ontwerp van de videogames kan mij zeer bekoren. Daarbij kan het alle kanten op; de prachtige realistische graphics van Assassins Creed via de stijlvolle ontwerp van Mirror’s Edge tot de bizarre wereld van Beautiful Katamari. Het zijn games die mij telkens weer kunnen betoveren door hun schoonheid en de creativiteit van hun makers.

Net als Pacman is de kathedraal van Reims niet gemaakt als kunstvoorwerp.

Het is dít gevoel dat iets kunst maakt. Het is natuurlijk heel persoonlijk, maar als het goed is, is kunst dat altijd. Dit gevoel krijg ik ook als ik een Van Gogh bekijk, een Vermeer bewonder of het Requiem van Mozart hoor. Ik kreeg het ook toen ik ooit in het MoMa een Ferrari Formule 1 auto zag staan (wat een mooi ding!) en toen ik om de kathedraal van Reims wandelde.

Die laatste twee hebben meer gemeen met Pacman dan u zou denken. Zowel de Ferrari als de kathedraal van Reims zijn nooit gemaakt als kunst, maar als een functioneel ding. Net als Pacman zijn het producten met een doel, niet om iets moois te maken. Pas later zijn we het kunst gaan noemen. En terecht natuurlijk.

Geen museum nodig
En dus hoort Pacman thuis in het MoMa. Al kan het mij niet echt veel schelen want ik geniet thuis wel van deze kunst. Liefhebbers van games hoeven niet naar New York om zich te laten betoveren. Daarnaast hoeft een museum ook Pacman niet te bewaren voor het nageslacht. Er zijn immers genoeg kopieën om er zeker van te zijn dat het wordt behouden voor de toekomstige generaties.

Pacman in het MoMa is slechts voor de mensen die nooit een videogame spelen en het niet kennen om zo met deze kunstvorm kennis te maken. Het kennis laten maken met cultuur en kunst die je niet kent is één van de kerntaken van musea. En daarmee draait Pacman en zijn vrienden de wereld van de kunstcritici 180 graden om. En dat is precies wat kunst moet doen.

———
Volg HP/De Tijd ook op Twitter en Facebook.