Het oude boertje in de vallei bij Calonge

In de open deur van de schuur staat een oud boertje. Ik herken hem. Vanonder zijn pet kijkt hij met toegeknepen ogen de weg af, ziet hoe ik nader. Losse strootjes rond zijn in laarzen gehulde voeten. Zijn rug zo rond als de bollen stro naast zijn schuur. In zijn mond een stompje sigaar. De zon komt nog maar net boven de heuveltoppen uit; de vallei tussen Calonge en de beklimming naar Romanya de la Selva ligt al grotendeels in de schaduw.

Hoe had ik dit boertje kunnen vergeten? Precies een jaar geleden zag ik hem bijna iedere dag. Keek ik toe hoe hij rond zijn eens piekfijne boerderij scharrelde, terwijl hij mij keer op keer de stijgende weg langs zijn huis zag passeren. Zag ik hem op een strobaal zitten, samen met zijn zoons, die net deden of ze niet zagen hoe ik hijgend voorbij kwam. Mannen die niet hoeven te praten om elkaar te begrijpen.

Van dorp naar stad
De twee zoons zijn deze zomer vertrokken. Van het land valt niet meer te leven. Iedereen verlaat deze contreien, op zoek naar werk in de stad. Het lijkt niet alleen totaal uitgestorven hier, het ís uitgestorven. Alleen in de zomer betrekken toeristen de vakantiehuizen. Toen ze vertrokken beloofden de zoons hun vader regelmatig te bezoeken, want sinds hun moeder op een hete zomerdag vreedzaam insliep in de schaduw van de oude olijfboom op het erf, heeft hij de neiging zichzelf net zo te verwaarlozen als zijn boerderij.

Maar hoe gaan die dingen? De zoons worden opgeslokt door de bedrijvigheid in de stad. Een cerveza drinken op een terras is plots stukken interessanter dan het bezoeken van hun oude vader. Het boertje slijt zijn dagen in eenzaamheid. Soms brengt de buurvrouw hem soep. Ze is geen prater. Ze wisselen nauwelijks een woord. Hij vindt het niet erg, je kunt immers ook tegen jezelf praten. Soms voert hij hele gesprekken met de oude boerderij, met de krakende deuren, piepende grendels en klepperende dakpannen. En hij droomt, het oude boertje, als hij op zijn strobaal zit en de weg af tuurt.

Dan hoort hij zijn zoons weer joelen. Ziet hij hoe ze in de tractorband schommelen die hij aan de dikste tak van de oude olijfboom heeft gehangen. Ruikt hij de geur van verdampend vocht in het gras als de zoons emmers vol water uit het riviertje achter het erf over elkaar heen kiepen. Hij droomt van de jaren waarin de olijven en de gewassen die hij verbouwde nog wat opbrachten. Dat waren mooie jaren.

Wielrenners
Soms ziet hij wielrenners voorbij komen. Maar ze spreken zijn taal niet. Ze komen uit andere landen. Hoewel hij blij is dat er tenminste nog een paar jonge mensen hier willen wonen, had hij liever echte Catalanen gezien. Hij vreest voor zijn geliefde land. Straks zijn ook alle oude mensen dood. En wie blijft er dan over om voor de akkers te zorgen? Zijn zoons zeker niet, die komen niet meer terug. Dat beseft hij inmiddels ook wel.

Het boertje schopt wat strootjes aan de kant. Hij trekt aan zijn sigaar, merkt dat het ding niet meer brandt en snipt het stompje weg. Dan draait hij zich om en schuifelt de schuur in, op weg naar de soep van de buurvrouw.

Hele levens verzinnen, dat doe ik op de fiets.