San Marco is stiekem oud geworden

Ik kijk naar Marco van Basten, die zojuist is besprongen door een uitzinnige speler met een naam die een gedachte aan een naakte Willeke van Ammelrooy moeilijk te onderdrukken maakt.

Ik kijk naar Marco van Basten.
San Marco, voor vrienden.
Kijkend naar Marco van Basten denk ik aan de tranen van Capello in San Siro, aan die verrotte enkel dankzij een halfslachtige overtreding op Edwin Olde Riekerink in het Oosterpark. Aan die goal tegen de USSR denk ik, maar meer nog aan die eerste tegen Engeland.
Die aanname, dat korte draaien…

Aan de omhaal tegen Den Bosch denk ik, aan de rug van Jan van Grinsven, aan dat pisboogje over Joop Hiele in de Feyenoord. Ik denk aan zijn vader Joop en hoe die Hugo Borst ooit rondleidde door Marco’s jongenskamer, waar hij bij leven al een soort mausoleum voor zijn zoon had ingericht.

Aan Stanley, de grote broer, aan wie de gave voorbij was gegaan en die dan maar naar Canada emigreerde.

Aan die dingen denk ik wanneer ik Marco van Basten op een gure zondag in Heerenveen voor zijn dug-out zie staan. Niet aan een teleurstellend seizoen bij Heerenveen, niet aan het Abe Lenstra-stadion, niet aan Yme Kuiper of Johan Hansma.
Van Basten in Friesland, het blijft Obama in de gemeenteraad van Schellingwoude.
Ik kijk naar Marco van Basten.

Iedereen heeft gezien hoe hij zojuist achterover getuimeld is als een keurige oude heer.
De uitgelaten Van la Parra remt duidelijk zichtbaar af alvorens zijn trainer in de armen te vliegen – in de Merci-reclame sprinten ze gewoon op volle kracht en vallen ze nooit. Het is lastig te zien op de televisiebeelden, maar het lijkt alsof Van Basten onmiddellijk door zijn hoeven zakt op het moment dat de het lichaam van de speler – een dunnetje, ook dat nog – het zijne beroert.

(Er zijn beelden van Van Basten die scoort terwijl Jürgen Kohler amechtig aan zijn shirt hangt als iemand wiens jas tussen de deuren van een langzaam optrekkende intercity is blijven zitten. Marco blijft zonder problemen overeind) Zijn benen, De Benen van Marco van Basten, wuiven een seconde lang als rietpluimen in de wind; zijn haar, dat tegenwoordig als een bestofte toupet op zijn schedel ligt, raakt het groene kunstgras langs de rand van het veld.

Terwijl de camera de doelpuntenmaker volgt op zijn jubelende ramkoers, krabbelt de meest gracieuze spits aller tijden op. Hij grijnst, Marco, hij grijnst als de jongen met het brede loopje die zojuist is uitgegleden voor een vol terras. Ondanks een gebrek aan ervaring op het gebied van flaters, kent Marco van Basten de wet van het welgemoed incasseren van de lach van een vol stadion. Onbeholpen houdt hij zijn handen in de lucht.
Stan Laurel, maar dan lachend.

Het volgende moment laat hij zich achterwaarts in de dug-out zakken. Opeens is hij de ouwe oom die zich even heeft opgericht om op de verjaardag een handje nootjes te pakken en nu weer in de fijnste stoel van het huis ploft. Wanneer hij zich bukt om zijn hoofd niet te stoten, schemert onder het haar van Marco van Basten plotseling de schedel van Marco van Basten. Nooit eerder zag ik Marco’s schedel, die was tenslotte altijd gehuld in dik, donker, krullend haar. Voetbalhaar. Voor eeuwig, dacht ik altijd.

En opeens besef je weer dat niets voor eeuwig is, zelfs de eeuwigheid zelf niet.
‘Van Basten weet ook niet wat hem overkomt,’ gilt de commentator, in extase over het doelpunt.
Hij heeft ongelijk.

Iedereen weet het. Iedereen weet wat Marco van Basten hier overkomt. Zelfs Marco van Basten weet wat Marco van Basten hier overkomt.
Terwijl wij even niet opletten, is hij stiekem oud geworden.