Ode aan de Eenzame Supporter

Het is een gure decembermaandag in Genua. Udinese speelt uit bij Sampdoria.  Arrigo Brovedani, wijnhandelaar en hartstochtelijk Udinese-supporter, is die middag voor een zakelijke afspraak in de havenstad. Na zijn afspraak eet hij wat en rijdt naar het stadion.

Uit zijn achterbak haalt hij een blauwe clubvlag en een sjaal, in dat typische, ietwat deprimerende zwart en wit van zijn club. Hij houdt van die kleuren, van de tegenstelling die ervan uitgaat. Hij houdt van alles wat zwart-wit is: films, foto’s en honden. Alles behalve Juventus.

Hij toont zijn kaartje aan de beveiligers. Ze knikken.

‘Loopt u maar door.’

Arrigo Brovedani wandelt het uitvak binnen.

Het is nog rustig.

Wat heet: hij is de enige.

Udinese-supporters staan niet bekend om hun massale trouw. Bij een gemiddelde uitwedstrijd komen er een paar honderd man hun team aanmoedigen. Als de club tegen een topclub speelt, zijn het er meer. Als het koud is, of de wedstrijd op een maandag plaatsvindt, minder.

Udinese-supporters staan niet bekend om hun massale trouw.

Op het veld is de opwarming inmiddels in volle gang.  Arrigo niet de spelers die hij zo goed kent. Met sommigen heeft hij wel eens een praatje gemaakt, anderen heeft hij wel eens zien lopen of op een terras zien zitten.

Geen van allen hebben ze ooit een fles wijn van hem gekocht, maar dat geeft niet. Supporterschap is geen ruilhandel. Supporterschap, dat zit hier – en in gedachten mept hij zich met een gebalde vuist op zijn borst, op de plek waaronder hij zijn zwart-witte hart vermoedt.

Terwijl hij naar het opwarmen van de spelers kijkt, stampt hij om zichzelf warm te houden. Af en toe werpt hij een blik naar boven, naar de ingang waaruit ieder ogenblik zijn vrienden kunnen komen. Misschien zijn ze verlaat, denkt hij, misschien zit het verkeer tegen, is het glad op de weg, je weet het niet. Die dingen gebeuren.

Als de warming-up van Sampdoria afgelopen is, dribbelen ze naar het vak waar de fanatiekste supporters zitten. Ze groeten het publiek een laatste keer voor ze naar binnen gaan. De tifosi joelen, ze zwaaien met vlaggen, ze schreeuwen, ze stampen, ze slaan op trommels en zingen obscene liedjes.

Dan zijn ook de Udinese-spelers klaar om naar binnen te gaan. Ze lijken even te aarzelen, maar dribbelen dan toch in de richting van het uitvak. Wat besmuikt zwaaien ze en klappen met hun handen boven hun hoofd.

Het duurt even, maar dan begrijpt Arrigo dat ze naar hem zwaaien, dat hun geklap enkel en alleen voor hem bedoeld is, de eenzame supporter.

Hij zwaait terug, met zijn vlag.

Pas dan lijkt het tot de supporters van de thuisploeg door te dringen dat de aanhang van de tegenstander uit een enkele wijninkoper bestaat. Langzaam begint het gejoel en het gefluit – eerst langzaam en zacht, maar al snel verspreidt het fluiten zich door het stadion als vlammen over uitgedroogd kreupelhout.

Het is niet eenvoudig om je zelf een houding te geven als duizenden mensen je eerst uitjouwen en vervolgens grijnzend naar je gaan zitten kijken. Arrigo wappert even met de vlag, legt hem dan weer neer, kijkt weer naar de ingang waar steeds weer niemand meer uit zal komen.

Hij heeft wel eens een boek gelezen, een boek met een hoofdpersoon die van de ene dag op de andere de enige levende ziel op de aarde was. Een mooi boek, al ontschiet de titel hem nu even. Het gevoel van die hoofdpersoon, dat gevoel van onbegrijpelijke eenzaamheid, het gevoel dat hij had toen hij dat boek las; dat gevoel heeft hij nu weer.

In de rust van de wedstrijd krijgt hij koffie van de suppoosten van Sampdoria. Ze maken een praatje met hem, hij is niet langer de vijand die bestreden moet worden, maar de vijand die op zijn rug ligt en overeind geholpen wordt.

Af en toe zwaait hij met zijn vlag, heel soms roept hij iets, maar zijn stem alleen draagt niet tot op het veld. Zijn aanmoedigingen

Udinese wint de wedstrijd met 0-2.

De ploeg draagt de zege aan hem op.

’s Nachts, als hij in de auto terug naar Friuli zit, voelt Arrigo iets in zijn buik, iets aangenaams, een gevoel dat hij kent van eerder, maar dat hij nooit zo duidelijk ervaren heeft.

Hij weet het natuurlijk niet zeker, maar hij denkt dat het clubliefde is.

———–
Volg HP/De Tijd ook op Twitter en Facebook.