Er is niks mis met een drogreden als argument

Retorica is geen wetenschap. Goed kunnen spreken (of goed kunnen schrijven for that matter) is in de eerste plaats een kunst, vergelijkbaar met dansen of tekenen. Je hebt mensen die er talent voor hebben en mensen die er niets van bakken.

Het verschil tussen die twee wordt louter afgemeten aan het bereikte effect bij een publiek. Ook al moet iemand die ergens talent voor heeft veel oefenen en zich de nodige ambachtelijkheid eigen maken, in de kunst ligt het niet zo dat succes met zekerheid zal volgen, als je je maar aan de regels houdt. Soms oogsten juist die mensen applaus die onwrikbaar geachte regels aan hun laars lappen.

Een drogreden is een abjecte fout
Voor de hele sector kunst mag de nadruk op vrijheid, originaliteit en persoonlijke expressie gesneden koek zijn, in de afdeling retorica heerst regelrechte kneveling door zelfbenoemde wetvoorschrijvers die criteria hanteren om andermans welsprekendheid aan te toetsen. Ik doel op het concept drogreden. Een drogreden(ering) is iets heel ergs, een abjecte fout, waarmee een spreker of schrijver door de mand valt als oneerlijk, leugenachtig, geniepig, kwaadaardig, enfin als iemand die verkeerd bezig is. Iemand die drogredenen gebruikt faalt op het gebied der welsprekendheid en degene die de spreker ontmaskert glorieert – zo werkt het ongeveer.

Maar wie stelt vast wanneer een bepaald argument een drogreden is en op een denkfout berust? Welke instantie is daar onbevooroordeeld en objectief genoeg voor? Geen enkele natuurlijk – daarom wekken argumentatie- en welsprekendheidsdeskundigen althans bij mij zo’n grenzeloze irritatie op. Neem twee bekende drogredenen, waar leerboeken en wijsneuzen altijd maar weer voor waarschuwen om die nooit in te zetten: het argument ad hominem en het argument tu quoque (oftewel de jij-bak). Deze twee liggen dicht bij elkaar en zijn soms bijna inwisselbaar.

Zo kun je nergens meer een discussie over voeren
In de Volkskrant van 19-12, in de serie ABC van denkfouten, gaf Suzanne Weusten het zoveelste vrome preekje tegen het tu quoque argument. Als voorbeeld voerde ze een stel op dat bij de bakker stond, waarvan de man graag een aardbeientaart wilde kopen, terwijl de vrouw tegenwierp dat het niet het seizoen was voor aardbeien en dat dit geen duurzame actie zou zijn. Waarop de man haar erop attendeerde dat zij zelf vorige week nog asperges had besteld in een restaurant – ook buiten het seizoen. Volgens Weusten is dit een tu quoque-argument, en dus niet-valide, irrelevant en buiten de orde. Die man had dat niet mogen aanvoeren! Tja, als vergelijkingen met overeenkomstige situaties taboe verklaard worden, kun je helemaal nergens meer een discussie over voeren.

Al Gore in zijn air-conditioned mansion
In een discussie over klimaatverandering en opwarming van de aarde mag je er volgens het drogredenmodel niet op wijzen dat Al Gore, profeet van de planeet, in een gigantisch air-conditioned mansion met verwarmd zwembad woont en jaarlijks drie keer de wereld rondvliegt, businessclass. Dat is een argument ad hominem en mag niet worden ingezet. Maar waarom eigenlijk niet? Zelfs als je níet Al Gore persoonlijk wil aanvallen, geeft het argument alsnog inzicht in de al te menselijke kloof tussen idealen en de dagelijkse praktijk, toch zeker relevant voor de klimaatkwestie.

Tu quoque en ad hominem argumenten zijn gericht op het exposeren van inconsequentie, hypocrisie en projectieneigingen. Het kind dat roept ‘wat je zegt ben je zelf’ gaat geen inhoudelijke discussie aan, maar kaatst simpel terug. Dat mag niet van de retoricadeskundigen, maar iemand die een jij-bak geeft, kan heel goed gelijk hebben. Als een jongen steeds andere jongens voor ‘homo’ uitscheldt, zit dat begrip als zodanig hem kennelijk op een of andere manier hoog. Er is niets op tegen om die gevoeligheid of angst te exposeren.

De retorica als kunstvorm
Hoe dan ook, alle argumenten in een redenering, hetzij gesproken, hetzij op schrift, zijn erop gericht het gehoor te overtuigen en mee te slepen. Net als dansers of beeldend kunstenaars proberen goede sprekers de emoties van het publiek aan te boren. Het ontrafelen van de inhoud in enerzijds correcte, rationele argumenten en anderzijds slechte, drogredenen getuigt van even bloedeloze regelzucht als aanmatigend purisme, waar de catch as can werkelijkheid zich gelukkig niets van aantrekt. Een gloedvol spreker gooit zijn hele hebben en houden in de strijd en het publiek bepaalt zelf waardoor het zich laat begoochelen. Wie het er niet mee eens is, roept altijd: drogreden!