Ach, Michael Boogerd

Het is vrijdag 5 juli 1996, ik ben tien jaar en kijk voor het eerst van mijn leven iedere middag na school naar de Tour. De wedstrijd heeft me bevangen als een tropische ziekte. 

Een dag eerder heeft Jeroen Blijlevens de vijfde etappe gewonnen. In een massasprint, het wieleronderdeel waarin ik wegens overgevoeligheid voor bloed en open wonden nauwelijks belang stel, een onderdeel waarin de verschillen met het blote oog nauwelijks zichtbaar zijn en dat ik om die reden niet geheel voor vol kan aanzien.

Op deze vrijdag 5 juli 1996 zal etappe 6 tegen iedere verwachting in niet in een massasprint eindigen. Het regent pijpenstelen in de finishplaats, Aix-les-Bains, een plaatsnaam Franser dan nodig.

Eerst is er de naam van Melchor Mauri, een opeenvolging klanken die ik herken uit de tijd dat ik nog geen Tour keek, maar mijn vader al wel. Melchor Mauri klinkt als de naam van een tovenaar uit de vervolgstrips in de Donald Duck – die ik altijd oversla. Mauri volgt in het spoor van een jongen met een oranje helm.

Michael Boogerd.

Eeuwigdurend supporterschap
Twee bochten later ligt Michael Boogerd in zijn eentje op kop in de zesde etappe van de Tour de France. De dunne bandjes van zijn fiets trekt een geul door de watermassa die op het asfalt blijft liggen, als een spoor dat het peloton slechts hoeft te volgen om hem te kunnen komen opeten. Ik heb tot daarnet nooit van Michael Boogerd gehoord, maar begrijp onmiddellijk dat hier een eeuwigdurend supporterschap geboren wordt. Het is liefde op het eerste gezicht.

Waarom?
Vraag je iemand die verliefd wordt naar het ‘waarom’?

Nog voor hij de finishlijn is gepasseerd ben ik zijn grootste fan.

De laatste meters voor de streep rijdt hij met zijn handen losjes hangend over het midden van zijn stuur. Wanneer ik dat probeer, rijd ik altijd linksaf de rozenbottelstruiken in. En terwijl Michael Boogerd de zesde etappe op zijn naam schrijft en ik met vlakke hand op onze nieuwe, zwartleren bank sla om mijn eerste succes als Boogerd-fan te vieren, hoor ik de auto van mijn vader.

Mijn vader, die elke avond naar het Tourjournaal kijkt. Mijn vader, die niet wil weten wie er gewonnen heeft. Mijn vader, die chauvinisme iets voor oenen vindt. De vreugde is groter dan mijn tienjarige lijf aankan, dus sprint ik op mijn pantoffels naar buiten en schreeuw het door de straat: “BOOGERD!”

Boterham-met-pindakaasman
Altijd als ik aan Michael Boogerd denk (of Michael Boogerd zie of Michael Boogerd hoor of de naam ”Michael Boogerd” lees), ben ik even bang dat ik nooit ouder ben geworden dan tien jaar. Nog altijd woont in mij een fanaticus, een fan die weigert te verhuizen, al zijn alle posters aan de wand vervangen door banieren met de tekst ‘Laat je niks wijsmaken!’ Michael Boogerd is de eeuwige boterham-met-pindakaasman, een Don Quichot met een Haags accent die vecht tegen door toverdrankjes aangedreven windmolens.

Een eeuwige tweede, het soort man die in zijn eentje over een heel brede stoep loopt, in de verte een bananenschil ziet liggen en weet dat het zinloos is om ervoor op te passen, omdat pech nu eenmaal in zijn lot verankerd ligt.

Een man om fan van te worden.

Bovenmenselijke krachten
Ongeveer tweehonderd middagen heb ik voor een televisiescherm doorgebracht, hopend dat Michael Boogerd zou winnen en wetend dat die kans ongeveer even groot was als dat ik de volgende dag wakker werd en in een flanellen onderjurk zou blijken te zijn veranderd. De keren dat hij wel won, Michael (Amstel Gold Race ’99, La Plagne 2002), voelden als mijn zeges, omdat het mijn aan naïviteit grenzende vertrouwen aan Michaels capaciteiten was die hem deze bovenmenselijke krachten had verleend.

Met het stuk in het NRC Handelsblad van zaterdag is de onomstotelijke zekerheid dat de extra krachten die op sommige momenten in Boogerds lichaam losbraken niet het gevolg waren van mijn geestelijke steun maar van shabby artsen en grootschalig bedrog, weer een beetje dichterbij gekomen. Het feit dat ik ook op een leeftijd dat het niet meer geheel te verantwoorden was een kinderlijke aanhankelijkheid heb getoond voor een man die zich in een kelder in Steyermuhl liet ‘behandelen’ door een malafide ex-atleet, heb ik al een tijdje geaccepteerd. Dat ‘iedereen het deed’ ook.

Dat Michael nooit eerlijk was (kon zijn/mocht zijn)
Dat er geen andere oplossing voor het probleem lijkt dan “een mentaliteitsverandering” – een vage, zweverige term, die werkelijk niets te maken heeft met topwielrennen zoals we dat de afgelopen 125 jaar hebben gekend – ook. Dat Michael Boogerd nooit eerlijk was (kon zijn/mocht zijn/wilde zijn/moest zijn) ook.

Maar dat hij zelf nu zijn post-loopbaan lijdensweg nu al vijf jaar lang onnodig rekt door ervoor te kiezen iedere keer een klein beetje meer van de waarheid aan de leugen toe te voegen, steeds een beetje verder door de knieën te gaan voor zijn verleden; dat niet. Boogerds ontkenningen doen denken aan de leerkracht van groep 8 die zijn klas een brief aan Sinterklaas laat schrijven. Of aan de regisseur van Het Bombardement die volhoudt dat Jan Smit nu eenmaal de beste man voor de rol was.

De pleister er niet in één keer aftrekken
Michael, ik weet waar ik naar kijk. Ik weet dat wielrennen fictie was, fictie is en vermoedelijk altijd fictie zal blijven. Ik weet dat het een beetje onnozel (en onzinnig, maar wel lief) is om volledig te vertrouwen op het woord van iemand die je nooit hebt ontmoet. En ik weet wanneer ik luister naar iemand die een pleister er niet in 1 keer aftrekt, maar haartje voor haartje, pijnscheut voor pijnscheut.

Wie van wielrennen houdt, begrijpt wat er nu gebeurt. En wie voor altijd een beetje tien gebleven is, zal begrijpen wanneer je eindelijk zal zeggen dat je niet naar Wenen ging om vitaminen aan te schaffen.

Ik zal even terugdenken aan 5 juli 1996 en me tien voelen.

Daarna zal ik alleen maar opgelucht zijn.

Meer leuke content? Like ons op Facebook