De schijtklokken van Girona

Zelden vierde ik zo sprookjesachtig kerst als in Girona. Ik woon deze winter in het middeleeuwse centrum van deze Catalaanse stad. Een genot, want Girona is prachtig. De smalle kasseiensteegjes, de joodse wijk, de eeuwenoude gebouwen die schitterend gerestaureerd zijn, de stadsmuur. Met kerstlichtjes is Girona een van de meest romantische steden waar ik ooit geweest ben.

Ik woon tussen de grootste kerk en de kathedraal. Indrukwekkende gebouwen, om stil van te worden, zo mooi. Ik zou hier wel altijd willen blijven. Mits het sprookje niet ieder uur zes keer ruw verstoord wordt. Overdag valt het niet zo op. Maar ’s nachts. ’s Nachts lijkt het soms wel of de wereld vergaat. Helemaal als je half in slaap bent. Dan klinken geluiden plots drie keer zo lang, vier keer zo luid en vijf keer zo dubbel.

Wallen tot op het stuur
Het zijn die schijtkerk en die schurftkathedraal. Inmiddels heb ik ontdekt dat de kathedraal de grootste boosdoener is. Die heeft de irritante gewoonte vijf keer per uur – vijf keer! – zijn klokken te laten horen. De kerk doet het heel bescheiden slechts één keer, op het hele uur, maar zo langzaam dat ‘ie met elke slag wel twintig seconden bezig is. Daarbij is het hier kennelijk van onderschikt belang dat klokken gelijk lopen, dus de kerk begint een minuutje of drie nadat de kathedraal is opgehouden met luiden. Soes je eindelijk in slaap na het armageddon van het ene geestelijke gebouw, zit je plots weer rechtop omdat het andere losbarst. U kunt zich dus voorstellen hoe ik iedere dag met wallen tot op mijn stuur op de fiets zit. Kloterige klokken.

Ik bedoel: waarom moet een kerkklok elk kwartier slaan, zelfs ’s nachts? Het klokkenspel van de kathedraal heeft zelfs een heel scala aan slagen, heb in mijn door gebeier doorwaakte nachtelijke uren nauwkeurig kunnen analyseren. Een klein klokje slaat één keer bij kwart over, twee keer bij half, drie keer bij kwart voor en vier keer op het hele uur. En daarna, na een seconde of dertig, resoneert de grote lage klok door onze slaapkamer. Twaalf keer als ik pech heb – hoewel, pech, dat de klok iedere dag twee keer twaalf slaat is meer een wetmatigheid dan pech natuurlijk.

Slaap je al half als het klokkengeweld begint, dan kan het maar zo zijn dat je voor je gevoel een nacht lang door gebeier omringd wordt. In je halfslaap lijkt alles langer en dubbel te duren. Regelmatig ontwaak ik ook en probeer ik mee te tellen, maar nog geen enkele keer lukte het me om het juiste aantal slagen te raden: meestal kom ik op veertien of vijftien uit. Slaap doet rare dingen met je waarnemingsvermogen.

Waarom toch, waarom?!
Als ik deze ellende ‘slechts’ zes keer per uur zou moeten doorstaan, zou ik er heus wel aan kunnen wennen. Ooit. Maar de geestelijke gebouwen hier zijn zo onvoorspelbaar als het weer in Nederland. Soms luiden ze rustig een half uur lang. Of slaat een van de kleine klokken om precies zeven over elf drie keer. ‘Waarom toch, waarom?!’, roep ik dan, ruw uit mijn beginnende slaap gerukt, met gebalde vuist naar de Spaanse hemel zwaaiend.

Sinds kerst weet ik waarom. We gingen naar de kerstnachtmis, die ook echt om middernacht begon, zoals een nachtmis betaamt. Ondanks dat we er geen reet van verstonden, was het heel bijzonder. De wierook, de misdienaars in witte gewaden, de bisschop met zijn mijter en het kussen van de voeten van babypop Jezus. En, zo ontdekten wij, als de kleine klok drie keer slaat, wordt er getranssubstantieerd. Oftewel: het brood verandert in het lichaam van Christus. Bij de volgende drie slagen transsubstantieert de wijn in het bloed van Christus.

Het “Va esdevenir en aquells dies,” dat we door de intonatie wél meteen begrepen. De mensen die gewoon in en uit liepen en niet de hele dienst bleven zitten. Rondrennende kinderen. Het zingend declameren uit de heilige schrift. De vredige stemming. En vooral de verbondenheid, het zelfs onbekenden een zalig kerstfeest wensen. De nachtmis was zo prachtig, dat ik de klokken inmiddels begin te vergeven. Of ik wen er gewoon aan. Dat kan natuurlijk ook.