Het leven draait niet alleen om economische onafhankelijkheid

In de aanloop naar kerstkalkoen en andere familiehectiek bleef ik even hangen bij een uitzending van Buitenhof, waar de immer actuele kwestie van de weerspannige vrouw werd aangesneden. Weerspannig ten opzichte van fulltime werken wel te verstaan.

Opzij-hoofdredacteur Margriet van der Linden sprak haar bezorgdheid uit over de welhaast frivool te noemen houding van Nederlandse vrouwen. Ja, de meesten van hen hadden een betaalde baan, zij het meestal in deeltijd. Ja, zij waren overwegend tevreden en gelukkig met hun leven. En al even voorspelbaar vonden zij ‘gezondheid’ en ‘genieten’ belangrijker dan veel geld verdienen.

Kortzichtigheid van vrouwen
Op zo’n manier bereik je natuurlijk nooit de top. Maar het zorgelijke gesprek in Buitenhof ging niet zozeer over gebrek aan ambitie en aan calvinistisch arbeidsethos, zoals Elma Drayer bijvoorbeeld verkondigt in Verwende prinsesjes, als wel over kortzichtigheid van vrouwen.

Je weet maar nooit wat de toekomst brengt, en wie klakkeloos meelift met het inkomen van de levenspartner, blijft in het niet denkbeeldige geval van echtscheiding berooid achter. Angst voor de bedelstaf zou de belangrijkste motivatie van vrouwen moeten zijn om zich te verzekeren van economische onafhankelijkheid, en dus fulltime te werken. En daar zou de overheid campagne op moeten voeren, vond Van der Linden.

De rol van kinderen
Deze discussie sleept ook al weer enige jaren aan, en wat me opvalt is de relatief onderbelichte rol die de kinderen hierin spelen. Kinderen vormen een amorfe partij. Zij worden altijd over dezelfde kam geschoren. Kinderopvang en -zorg zijn in de eerste plaats economische kwesties: als de crèches duurder worden, gaan minder vrouwen werken. De aanname luidt dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen subsidiëring van kinderopvang en meer vrouwenemancipatie.

Maar ik denk dat moeders (vaders ook, maar in iets mindere mate) goed naar hun kinderen kijken en hun werkzaamheid (uithuizigheid) op hen afstemmen. Er zijn grote verschillen tussen kinderen in de mate waarin ze zich op hun gemak voelen in groepen. Sociale tijgers floreren in groepen en doen de hele dag niets liever dan met andere kinderen spelen. Dan zijn er flexibele kinderen, die een afwisseling van in groepen en op hun eentje opereren fijn vinden. Maar er zijn ook individualisten of introverten, die behoefte hebben aan rust en niet de hele dag gekakel aan hun kop. Die laatste groep is niet zo groot, maar ik schat hem toch wel op twintig procent.

Toevallig waren mijn drie kinderen precies verdeeld over deze temperamentindeling, waarop ik ook de opvang heb afgestemd. De een zat onbekommerd in de crèche, het flexibele kind switchte tussen groeps- en individuele opvang, en het introverte type zat veel thuis na de schooldag, waarin hij al genoeg sociale impulsen had opgedaan.

Jaloers op het Nederlandse systeem
Uit een documentaire over kinderopvang in Zweden herinner ik me een moeder die met jaloezie over Nederland sprak, waar ouders de vrijheid hadden om te kiezen voor het soort opvang dat bij hun kind paste. Zij had een kind dat liever na schooltijd thuis een beetje zou rondhangen in plaats van altijd maar weer de bossen in te trekken en verplicht groepsactiviteiten met andere kinderen te ondernemen. Maar ja, staatsopvang gebeurt groepsgewijs, of kinderen daar nu aardigheid in hebben of niet.

Volwassenen kunnen het soort werk en de levenswijze kiezen die bij hun persoon passen. Kinderen hebben veel minder over hun eigen leven te zeggen. Hun ouders doen dat voor hen. Omdat moeders het belang van hun kinderen in de gaten houden, zien ze vaak af van fulltime werk. Dat is geen lamlendigheid of kortzichtigheid, maar een kwestie van prioriteiten.