De noodzaak van economische modellen

Ik heb veel nagedacht over de bewering dat Amerika zijn arbeiders goede levensomstandigheden zou kunnen bieden als er maar niet zo veel concurrentie was. 

Ten eerste is dit een stokpaardje van mij; er wordt al 60 jaar lang over het verband tussen groei en handel geschreven, maar ik geloof niet dat er veel economen zijn die zich verdiept hebben in de historische achtergrond van deze discussie, misschien ben ik wel de laatste der Mohikanen of zo.

Ten tweede leent het veronderstelde verband tussen die twee zich perfect om te bewijzen hoe belangrijk het is om met een model te werken- ik zal zo uitleggen wat ik hier mee bedoel. En dan nog iets: dit verhaal maakt ook duidelijk dat een model gemaakt kan worden om het antwoord op de ene vraag te vinden, of een bepaald standpunt te verdedigen, terwijl later blijkt dat het ook in andere omstandigheden gebruikt kan worden en zelfs een heel ander politiek standpunt kan ondersteunen. Juist dat bewijst alleen maar dat het een goed model is.

Om weer terug te komen op mijn eerste punt: de oorsprong van de discussie is te vinden in de naoorlogse jaren; toen was het gebruikelijk om te beweren dat de Amerikaanse superioriteit op technologisch gebied concurrentie voor Europa onmogelijk maakte.

Handelstheorie
Toch zegt de handelstheorie dat handel afhangt van relatief voordeel, niet van absoluut voordeel. Een land kan verdienen aan handel, zelfs als de industrie er niet zo productief is als in andere landen, als het zich maar concentreert op de gebieden waar ze niet zo in achterlopen.

Hier kunnen we de econoom John Hicks goed bij gebruiken die de vraag anders formuleerde, namelijk: wat heeft de technologische vooruitgang van een land voor effect op diens handelspartners? Hij maakte een eenvoudig model waarmee hij de vraag kon toetsen.

Wat is een model?
Er wordt me door lezers wel eens gevraagd wat ik versta onder een ‘model’. Het antwoord is dat ik een vrij ruime definitie hanteer- het kan bestaan uit berekeningen of een computer simulatie, maar het kan ook een met zorg geformuleerd artikel zijn, zoals David Hume’s bespreking van de handelsbalans. Hoe het er ook uitziet, wat het tot model maakt is dat er een zorgvuldige afweging in plaatsvindt van micromotieven en macrogedrag- dat wil zeggen, dat het omschrijft wat mensen doen (niet altijd uit rationele overwegingen) en hoe dit individuele gedrag opgeteld leidt tot een bepaald resultaat. Het is vooral belangrijk dat het niet alleen een reeks stellingen is.

Het hebben van een model wil nog niet zeggen dat je ook gelijk hebt. De ‘real business cycle theory’ bijvoorbeeld past prima binnen mijn criteria, maar geeft naar mijn mening een fundamenteel verkeerd idee van de reden waarom recessies plaatsvinden.

Nut van modellen
Maar toch, het opstellen van een model zorgt er wel voor dat je bepaalde fouten niet maakt; vooral het soort dat voortkomt uit niet goed nadenken over de uitkomsten van je model. De meeste fouten die gemaakt werden in de analyse van de naoorlogse situatie in Europa werden veroorzaakt door een bijna belachelijke denkfout: de economen vergaten dat het niet hebben van concurrentie niemand hielp omdat de Europese bedrijven ook geen afnemers hadden. Een model helpt wel om zulke dingen te voorkomen.

De theorie van John Hicks en latere versies van dezelfde theorie laten ons zien dat technologische vooruitgang in andere landen de concurrentie kan helpen of dwarsbomen; dat hangt helemaal van de industrietak af.

Een model kan tot verschillende politieke uitkomsten leiden
Uit politiek oogpunt gezien is deze theorie interessant omdat min of meer hetzelfde model op verschillende momenten heeft gediend om verschillende standpunten te ondersteunen. In het naoorlogse Europa werd Hicks’ analyse gebruikt door de voorstanders van het opengooien van de markt. In het begin van de negentiger jaren gebruikten ik en anderen Hicks’ theorie om zowel de links-van-het-centrum voorstanders van protectionisme aan te pakken als de bedrijven die om subsidies vroegen om landen als Japan te kunnen beconcurreren.

En nu is dezelfde analyse vooral nuttig om tegenwicht te bieden aan de claims van rechts dat we geen vergelijking kunnen trekken met de ervaringen van de VS in de 50er en 60er jaren, toen hoge lonen hand in hand gingen met progressieve belastingmaatregelen; Hicks toont aan dat het feit dat er toen minder internationale concurrentie was, geen argument kan zijn.

Het belangrijkste punt is dat een nuttig economisch model geen propagandaleus is die aan de kant kan worden gezet als de partij een andere koers gaat varen. Nee, het is juist een structuur die in allerlei contexten je begrip kan vergroten.

Is het model verandert, of de input?
En het beste antwoord op pogingen om ons economen in een kwaad daglicht te stellen (‘Ha, nou heb ik je te pakken, in 2003 zei je het omgekeerde!’) is om de vraag te stellen of het model van de econoom ook is veranderd. Als hij hetzelfde model gebruikt, maar er komen andere politieke antwoorden uit omdat de situatie ook anders is, dan heb je hem helemaal niet te pakken; als hij het model heeft veranderd, is de vraag waarom dan, zijn er goede redenen voor die verandering.

Ik heb zelf ook mijn modellen wel veranderd, vooral omdat ik uit ervaring geleerd had. Ik heb bijvoorbeeld lange tijd bijvoorbeeld de liquidity trap niet echt serieus genomen tot de gebeurtenissen in Azië me tot andere gedachten brachten.

Een beter mens
Ik ben er trots op dat ik die intellectuele flexibiliteit bezit; ik schaam me er zeker niet voor. Ik geloof niet dat ik ooit mijn modellen heb aangepast om een bepaalde politieke positie te kunnen bewijzen. Dat is in mijn ogen wel een zonde.

Probeer eens in modellen te denken, je wordt er een beter mens van.

Meer leuke content? Like ons op Facebook