Gelukkig Nieuwjaar, Evert ten Napel

Wat doet Evert ten Napel vandaag? Hij is niet in Garmisch-Partenkirchen, alwaar het skischansspringen tegenwoordig wordt becommentarieerd door Ayolt Kloosterboer. Prima kerel, Ayolt, vakman, skischansspringliefhebber in hart en nieren, vast en zeker. Geen kwaad woord over Ayolt. Maar een Evert, nee, dat is hij niet.

Ik zie hem zitten, die dekselse Evert, thuis, met een kopje thee en een oliebol op een kleverig servetje. Zo’n droge oliebol waar de krenten als grind in meegebakken zijn. Zo’n bol waar de poedersuiker aan is vastgekoekt.

Kan Evert niks schelen. Evert is dol op oliebollen. Die gaan er wel in. Als een granaat gaan ze erin. Evert heeft jarenlang rond Oud en Nieuw op een dieet van Schwarzwalder Kirschtorte en glühwein geleefd, zat al die jaren onderaan een schans in Oostenrijk vliegende skiërs naar beneden te becommentariëren en is dolblij dat hij niet meer hoeft. Eindelijk eens een echte bol van Bakker Haverkamp, met krenten van steen.

Nu zit hij eindelijk eens lekker thuis, Evert. Verwarming op zes, het Nieuwjaarsconcert op de achtergrond. Buiten op straat proberen jongetjes met korte lontjes dito strijkers af te steken. Binnen zit Evert. In Wenen wordt een nieuw nummer aangekondigd.

“Tietenkont,” mompelt Everts vrouw.
Evert weet van niets. Hij was altijd in Garmisch-Partenkirchen. Daar draaien ze geen Strauss.
“Goed orkest,” zegt Everts vrouw, terwijl ze Everts kopje nog eens tot de rand toe volschenkt. “Knap hoor, hoe ze dat spelen, al die verschillende stukken.”
“Dit is een goed stel, hoor,” mompelt Evert.
“Het springen begint toch zo,” vraagt Everts vrouw.
“Ja! Daar is dus dat moment,” antwoordt haar man.
“Toch wel gezellig, dat jij dat nu niet meer hoeft te doen,” zegt zijn vrouw zwijmelend, terwijl ze met haar tanden een gat probeert te forceren in een appelflap van Haverkamp.
“Ja, dat wordt een gele prent. Voor mekkeren.”
“Doe toch niet zo narrig, Eef, de kinderen komen zo.”
“Dat is een heetgebakerd mannetje hoor, die Ten Napel, goh! Wat een kanjer.”
“Wil je nog koffie, schat?”
“Daar is dan dat moment… Ja!”

Een knal. Een vergeten vuurpijl verdwijnt alsnog in de lucht.
“Wat een heksenketel hier, dames en heren! Die pijl slaat in als een raket!”

Evert ten Napel rolt met de bol over zijn been. Het ribfluweel van zijn broek wordt langzaam wit van de poedersuiker. Op televisie is reclame.
“Is het al begonnen?” vraagt zijn vrouw, terwijl ze hem een nieuw kopje koffie voorzet.
“Die jongen krijgt het op een presenteerblaadje. Dat moet ie gaan afwerken, dat kan niet anders.”
“Wil je nog een bol?”
“Die Haverkamp, die kan wel wat hoor.”
“Wil je nog een bol, Eef?”
“Nee. Spijker- en spijkerhard, die bol.”
“Die jongen, die het nu doet, kan die het een beetje?”
“Die kan wel wat, hoor.”
“We moeten zo nog even wat extra stoelen van boven halen, voor als de kinderen komen. Help je even?”
“Die Ten Napel, dat is een straatratje, die houdt wel van een beetje bakkeleien.”
“Eef, kom nou even. Het is nog niet eens begonnen.”
“Maar het kan ieder moment losbarsten hier, op die legendarische schans, onder een waterig Nieuwjaarszonnetje.”
“Dan doe ik het zelf wel.”

Evert ten Napel zit in zijn lievelingsstoel. De oliebol ligt op de vloer. Om hem heen zitten zijn vrouw, zijn kinderen en zijn kleinkinderen. Iedereen praat door elkaar. Het is een heksenketel. Op het zwijgende televisiescherm zweven schansspringers hun tussenstand tegemoet.

Een beste sprong, dat ziet ie zo.

Het volgende moment moet hij de hond uitlaten.Wat een mokerslag voor de rascommentator. Goeie genade.