Van de in 2012 gestorven dichters was L. Th. (Louis) Lehmann de grootste

Van de in 2012 gestorven Nederlandse dichters was L.Th. (Louis) Lehmann toch de grootste.

In de 92 jaar dat hij leefde, schreef hij zo’n 700 gedichten, waarvan vele van hoge kwaliteit. Miskend was hij niet en zeker voelde hij zich niet zo, maar vaak heb ik over hem gelezen dat hij als dichter eigenlijk “een amateur” was. Die kwalificatie is onzin. Zijn raffinement was juist groot. Maar zijn onderwerpen vielen vaak zo buiten de orde en zijn manier van vertellen was zo alledaags en voor de vuist weg dat zijn poëzie de indruk maakte dat er nauwelijks op geploeterd en aan geschaafd was. Dat was slechts schijn.

Onbenaderbaar
Amateur of niet, hij was in elk geval ongehoord begaafd, ook op andere terreinen. Hij was jurist, archeoloog, doctor in de Nederlandse letteren en daarnaast scheen hij ook nog veel te weten van de tango. Dat is mij overigens allemaal door anderen verteld, want zelf was Lehmann vrijwel onbenaderbaar. Ik heb, via zijn uitgever, verschillende malen om een interview gevraagd, maar dat werd altijd geweigerd. Alleen aan Arjan Peters heeft hij eens – toen hij overigens al over de tachtig was – een interview gegeven, maar verder zou ik het niet weten.

Lehmann hield niet van poespas en deftigheid. Kortheid was zijn kenmerk en wie niks te zeggen had, kon beter zwijgen. Als criticus heeft hij de kortste literaire kritiek op zijn naam staan. Toen Max Nord een boek publiceerde dat Geen talent voor geluk heette, bestond de recensie van Lehmann uit één zin: “Alleen de titel is te lang”.

Aan duiding wordt niet gedaan
Ook de toelichting die Tom van Deel geeft in de verzamelbundel L.Th. Lehmann, Gedichten 1939-1998 is van een geheel uitgeklede soberheid. Het zijn wat huishoudelijke mededelingen waarin geen woord te veel staat. Aan duiding wordt sowieso niet gedaan. De lezer moet het zelf maar uitzoeken.

Toen Lehmann voor de Tweede Wereldoorlog begon was hij nog een dichter van gemarmerde verzen, maar aan het eind van de jaren vijftig (van de vorige eeuw) is de ironie in zijn werk geslopen. Zijn poëzie krijgt dan een klap van de molen die Barbarber heet, al vervalt hij nooit in het lollige of oubollige. Later bij de dood van Buddingh zou Lehmann nog een ode schrijven op de Blauwbilgorgel. Een voor Lehmann typerend gedicht, vind ik zijn poëtisch commentaar op Marsmans laatste vers Wie schrijft, schrijv’ in de geest van deze zee. Het gedicht heet ironisch Grote Traditie.

“Wie schrijft, schrijv’ in de geest van deze zee”
schreef Marsman en bedoelde de Middellandse
Toen ik die zee voor het eerst binnenvoer
kwam ik om half vijf mijn kooi uit om het wonder te zien.
Het was nog donker en het regende
de lichten van Gibraltar en Ceuta
leken veel op die van Vlissingen en Breskens.
Aan stuurboord verscheen een wippende slinger dolfijnen
en ik dacht: ‘Ha, toch iets bijzonders’.
De eerste stuurman zei: ‘Kijk, daar heb je de boertjes,
die zie je in de Noordzee ook’.
Schrijven maar.
          Ook jullie daar in Japan en Chili!

Aan conventies stoorde Lehmann zich toen al lang niet meer. Hij ging zijn eigen baan. Als hij het in het licht der vergankelijkheid aflegt tegen die andere gestorven dichters Komrij en Kopland, dan is dat misschien ook omdat hij te veel zijn eigen baan is gegaan. Kopschuw als hij was, heeft hij weinig publiciteit voortgebracht en daardoor ook weinig secondaire literatuur. Ik vermoed, nee ik weet het wel zeker, dat hem dat een zorg zal zijn. Maar ik zal regelmatig aan Lehmanns poëzie blijven denken en speciaal aan het gedicht dat Small Talk heet.

Als verzen nog geen verzen zijn,
Maar woorden in mijn hoofd,
Dan lijken ze heel even fijn,
Net iets dat wat belooft.
Ik word, als soms met een roman,
nieuwsgierig en haast blij.
Maar als ze op papier staan, dan
is dat gevoel voorbij.
En dus vergeet ik zo ook gauw,
kijk ik er nog eens naar,
dan denk ik: Hé, schreef ik dat nou?
Wat handig, en wat raar. 

De slotzinnen doen het ook altijd goed, als je voor de spiegel staat.