Ik kan niet genieten in m’n eentje

Ik ben altijd een beetje jaloers op mensen die in hun eentje van dingen kunnen genieten. Lekker alleen naar de bioscoop of in je uppie naar een concert. Dat kan ik dus niet. Ik wil iemand naast me hebben die ik kan aanstoten: Zie je dat? Mooi hè? Om dezelfde reden spam ik vriend en vijand met liedjes, filmpjes en foto’s die ik mooi of grappig vind. Ik wil het graag delen, andere mensen net zo laten lachen of huilen als ik zelf doe.

Het liefst zou ik daarom ook een fiets met een onboard camera hebben, zodat ik jullie allemaal kan laten meegenieten van mijn prachtige fietstochten. Het is zo adembenemend mooi hier in Catalonië. Zo groen, zo ruig, zo lieflijk, zo schilderachtig en zo verlaten.

Kerktorens in de januarizon
Op de kaart (herstel: op google maps) had ik een nog onontdekte route uitgezocht, naar Sant Hilari, een dorp dat ooit een kuuroord was. De zon scheen, het werd een warme dag. Damp hing boven het land. Ik fietste door een breed dal, vals plat naar beneden. De zandkleurige kerktorens van de dorpjes die ik op hoge snelheid passeerde staken net boven de nevel uit en lichtten op in de januarizon.

Aan de voet van de heuvels rook het naar hout. Boomstammen lagen opgetast op fabrieksterreinen. In de luwte van de hellingen was het nog warmer. Ik deed mijn armstukken uit, probeerde een foto te maken van mijn blote armen, maar ving mijn schaduw op het asfalt. De weg kronkelde omhoog, de bossen in. Stroompjes water kwamen in tegengestelde richting naar beneden. Spetterend en sissend zochten ze zich een pad tussen vochtig glanzende rotsen door.

Ik probeerde een foto te maken van mijn blote armen, maar ving mijn schaduw op het asfalt

Stoppen om te plassen
De begroeiing naast de weg werd dichter. Donker mos gaf de bomen een sprookjesachtig uiterlijk. Ik kwam langs het half overwoekerde en verlaten huisje van Hans en Grietje. Of van Roodkapje, dat kan ook. Nu woonde er in ieder geval niemand meer. Plotseling fietste ik weer in de zon, knipperend met mijn ogen tegen het felle licht. Ik stopte even om te plassen. Geen mens te zien. Op het geluid van mijn eigen water na hoorde ik zelfs niets meer.

De weg werd steiler. Ik stond op de pedalen. Er zat een tik in mijn trapas, maar ik hoorde hem niet lang, want er liep een kudde schapen in het dal naast mij. Schapen met van die grote bellen om. Geblaat en gekloink vulden mijn oren en af en toe een schreeuw van de herder, de blaf van een hond. Hoe ik ook tuurde, ik kon geen beweging ontdekken. Ik fietste verder, hoger. De geluiden verdwenen weer. Ik fietste hier al een uur, maar was nog geen levende ziel tegengekomen.

Wie zou me komen redden?
Plotseling greep de verlatenheid me naar de keel. Wat als er nu iets gebeurde, als ik iemand trof die kwaad wilde? Zou iemand me vinden, me komen redden? Ik reed nu al zo lang omhoog. Wanneer kwam er een einde aan deze klim? Voor me doemde de gestalte van een andere fietser op. Hij viel nog net niet om, zo langzaam reed de man. Ik speerde hem voorbij, terwijl ik ‘adieu!’ zei. De man riep me na, in het Spaans. Of Catalaans. Ik hield in, draaide me om. Hij riep nog wat. Ik maakte hem duidelijk dat ik hem niet verstond. Okay, bye bye, wuifde hij me na. Ik zette aan en weg was de man, de andere eenzame fietser op deze helling.

Bijna boven weken de bomen. Het ene prachtige vergezicht wedijverde met het andere. Ik probeerde ze in foto’s te vangen, maar de plaatjes leken niet eens op de overdonderende werkelijkheid. Ik belde mijn vriend. Zogenaamd om te vragen waar hij was. Heel lang had ik het in m’n uppie uitgehouden. Maar toen de omgeving me echt de adem benam, kon ik het niet meer aan. Het was teveel voor mij alleen. Ik moest het gewoon delen.

Klik hier om te zien welke route ik fietste.