Hoe de buitenwereld naar een jonge schrijver kijkt

Het is al jaren onrustig in de wereld van de gedrukte pers. Tijdschriften vallen om, kranten proberen zichzelf te redden door halve tijdschriften te worden en redacteuren komen en gaan.

Zij die komen houden als zij daartoe bevoegd zijn nog even huis in het personeelsbestand, zij die gaan beweren de eer aan zichzelf te hebben willen houden. En ook dat er online een groter avontuur lonkt. Ondertussen sturen minder prominente redacteuren elkaar bezorgde mailtjes, als het moet op kerstavond, met niet de vraag of de schuldsanering het enige toekomstbeeld is, maar wanneer dat toekomstbeeld werkelijkheid zal worden.

Inspiratie opdoen en avonturen beleven
De jonge schrijvers, waarvan er veel als freelancers verbonden zijn aan de gedrukte pers hebben dit alles voor de helft in de gaten. Zij denken aan de jonge Campert en de jonge Vinkenoog. En herkennen hen in het leven dat zij nu zelf leiden. En eigenlijk zitten ze nog voor dat leven. Campert begon eigenlijk pas echt met schrijven op zijn dertigste. Er is dus weinig haast. Voor die tijd moet er geleefd worden. Inspiratie opgedaan. Avonturen beleefd. De bezorgde mailtjes die op kerstavond in hun mailbox verschijnen verdwijnen in hun benevelde geheugen.

“Hoe gaat het met je column?” vraagt mijn moeder.

“Goed,” antwoord ik.

“Heeft ze een column?” vraagt mijn vader.

“Ja,” zegt mijn moeder. “Maar ik mis er zelf ook wel eens eentje. Ze zijn zo moeilijk te vinden.”

“Ze zijn niet moeilijk te vinden,” zegt mijn broertje. “Je kan gewoon niet zoeken.”

Niet iedereen zal geschikt zijn voor het online avontuur.

“Maar online verdient toch niets?” zegt mijn vader.

Ik geef geen antwoord. Ik denk aan de jonge Campert. En de jonge Vinkenoog. Die verdienden ook niets. Recessie of niet.

“Je kan altijd nog bedrijfsjournalist worden,” zegt mijn moeder. “Bij een verzekeraar of zo. Ik weet dat je allergisch bent voor geld verdienen, maar in de commerciële sector is er heus werk voor je.”

“Ik ben niet allergisch voor geld verdienen,” zeg ik. “Wel voor verzekeraars.”

“Betalen we daarom je zorgkosten nog steeds?” vraagt mijn vader.

“Of copywriter. Naar copywriters is altijd vraag.” Mijn moeders gezicht staat enthousiaster dan ik het ken.

“Dat betwijfel ik,” zeg ik.

“Of je gaat lesgeven,” valt mijn broertje haar bij.

“Ja,” zegt mijn vader. “Dan heb je veel vakantie! Jullie schrijvers houden van zo veel mogelijk dagen vrij!”

Ik zie een puberende schoolklas voor me. Opgewonden gezichten, opgewonden lijven. Ze zullen me afmaken. Hoeveel Turks Fruit ik ze ook te lezen zal geven. Ze zullen ervan houden, maar ze zullen het niet weten, want ze kijken alleen de film. Ze zullen geen enkel boek dat ze kunnen waarderen open slaan, in plaats daarvan plakken ze stickers op mijn rug, of erger nog: op mijn billen. Huilend zal ik in de lerarenkamer mijn verhaal vertellen, en zullen mijn collega’s me niet kunnen helpen. Had je maar niet moeten mislukken als schrijfster. Eigen schuld.

“Ik ga geen lesgeven,” zeg ik. “Ik wil schrijven.”

“Je bent geen puber meer”, zegt mijn moeder. “De tijd om je af te zetten is voorbij”.

Ik haal zonder te vragen nog wat boeken mee uit de boekenkast en verlaat mijn ouderlijk huis. De trein naar Amsterdam is net vertrokken, maar misschien kom ik tijdens het wachten op het perron nog een bekende tegen. Of een nieuwe liefde. Met leuke ouders. Of dode ouders, nog beter.

Als ik de straat uit loop tref ik de buurvrouw, verrast dat ik op kerstavond hun stad alweer verlaat. Hoe het met me gaat, vraagt ze. Maar dat weet ze eigenlijk al. Heel goed. Mijn moeder praat haar wekelijks bij. Ik heb een column. En ik schreef een boek. “Je zou haar gezicht moeten zien als ik naar je vraag”, zegt de buurvrouw. “Dat staat dan enthousiaster dan ik het ooit kende.”