Doprah – Part 2: Het waarheidsvijfgangendiner van Armstrong

Luke Armstrong verdedigde zijn vader tegen kinderen op school. Hij zei: ‘Mijn vader heeft het niet gedaan.’ Tot zijn vader hem bij zich riep en zei: ‘Je moet stoppen met zeggen dat ik het niet gedaan heb.’

Het was – ondanks de regie van het moment, de hypocrisie van de verteller en de leugenrijke voorgeschiedenis – een ontroerend beeld. Misschien was het niet eens waar, misschien heeft er nooit een dergelijk moment plaatsgevonden, Armstrongs geloofwaardigheid is de afgelopen twee nachten nog maar eens op zestig graden gewassen. Maar ik wilde het graag geloven. Het reduceerde jarenlang systematisch dopinggebruik tot een Sinterklaas-leugentje binnen een gezin: vader weet het, moeder weet het, maar de kinderen geloven er heilig in tot ze oud genoeg zijn om de waarheid aan de kunnen.

Misschien is het wel op die manier dat we de wieleromerta moeten beschouwen. Als een tijdelijke opschorting van de waarheid waar iedereen baat bij heeft. Een Sinterklaas-leugen voor volwassenen. De illusie moet in stand gehouden worden, tot de publieke biecht erop volgt. De Vlaamse wielerschrijver Herman Chevrolet schreef het al zo vaak: wielrennen is geen sport, wielrennen is literatuur, klassiek drama. Daarmee krijgt Armstrongs biecht veel weg van iets wat door de zwijgcultuur in het wielrennen lang ontbrak: een Aristotelische catharsis, een reiniging waardoor de toeschouwer een loutering van de ziel ervaart (Wikipedia).

Die catharsis vindt in trapjes plaats, alsof renner de waarheid voor het publiek in behapbare brokken snijdt en het er af en toe eentje voert. Thomas Dekker voert ons in NRC Handelsblad vandaag  weer een nieuw brokje: toch ook bloeddoping, niet alleen EPO. Bij hem hebben we ons catharsis-bord wel zo’n beetje leeg; de bekentenissen raken op, de waarheid komt in zicht. Niet bij Armstrong: aan alles voel je dat hij de wereld nog een vijfgangendiner aan brokjes waarheid gaat serveren. Voor hij dat doet, kan hij het beste eerst volledig eerlijk zijn tegen zijn zoon. Die heeft ’t verdiend.