Theo Janssen en de magie van de stift

Er loopt een man over het veld. Hij draagt het tenue van zijn favoriete voetbalclub, de man is een supporter in het lichaam van een voetballer die nogal op een supporter lijkt.

Scene 1
Ik zie hem lopen, de supporter in het lichaam van een voetballer die nogal op een supporter lijkt. Daar draaft hij, van links naar rechts over mijn televisiescherm.
Het ziet er niet erg snel uit, dat lopen van hem.
Minder vinnig dan zijn tegenstanders, om wier schoudertjes het groen van een uit commerciële motieven ieder jaar opnieuw uitgebracht uittenue slobbert als een warme trui die je bewust twee maten te groot gekocht hebt.
Minder gracieus. Minder lichtvoetig. Minder effectief.
Denk ik.
Maar wat ik zie, is dit: een man die versnelt in de versnelling. Een ren die eruit ziet als de laatste honderd meter van een rondje joggen op Nieuwjaarsochtend, maar dan met de snelheid van een heuse sprint.
Sneller, steeds sneller rent hij, die man op mijn scherm. Nog even en hij holt zo mijn beeld uit. Uitkijken.
(Neushoorns schijnen tot de snelste en gevaarlijkste landdieren te behoren. Je ziet het er niet aan af, neushoorns maken over het algemeen een wat logge, suffige indruk. Als het niet zo onaangenaam klonk, zou ik de man op het scherm met een neushoorn vergelijken. Dat doe ik dus maar niet. Maar ik had het kunnen doen).

Scene 2
Daar kopt hij een voor hem uit stuiterende bal voor zich uit. Er hangt iets aan zijn rechterarm. Wat? Een groupie? Een dreinerig kind? Een boodschappentas?
Het is een verdediger van een club waar de man ooit nog een tijdje speelde, een tijd waar hij liever niet meer te veel aan wordt herinnerd.
De man schudt de jongen eenvoudigweg af, hij heeft liever niet dat iemand aan zijn arm hangt als hij net bezig is met een sprint. Hij houdt niet van sprinten, daar kan hij echt geen iele jongen aan zijn arm bij gebruiken.
De bal stuit voor hem uit, op de voet gevolgd door de man die weet dat hij de achterstand ieder moment kan inlopen om de bal een rotschop te verkopen. Toch houdt hij even in, als om de bal nog een laatste kans tot wegstuiteren te gunnen.
(Katten doen dat: een halfdode muis uit hun poten laten ontsnappen om ze nog een keer te kunnen vangen. Het lijden van de prooi verlengen, louter en alleen voor het eigen plezier. Sadisme, zou je zeggen, als je niet beter wist, namelijk dat het instinct was, iets waar katten niets aan kunnen doen. Ik denk dat de man er ook niets aan kan doen. ’t Is instinct)

Scene 3
Hé kijk, daar komt een keeper aangedanst.
Hij draagt rood, als de roos bij het boogschieten. Mik op mij, zegt dat pakje tegen de man, en het levert er een niet mis te verstane knipoog bij.
De man houdt nog eens zijn pas in, nauwelijks merkbaar, een fractie van een fractie van een seconde. De kat die de muis heeft ingehaald en uithaalt voor een ongenadige dreun met zijn poot, de neushoorn die een poserende toeriste van achter op zijn hoorn spiest.
De man kantelt zijn voet, zoals je de steel van je tennisracket in je hand kantelt als je hoopt op een of ander wonderlijk effect.
De voet van de man die een supporter in het lichaam van een voetballer die nogal op een supporter lijkt is, verdwijnt in de kleinst mogelijke ruimte die de ronding van de bal vrijlaat tussen bal en gras.
De rode man met zijn tuinhandschoenen duikt, zijn handen hoog en breeduit.
Een moment lang gebeurt er helemaal niets.
Dan beseft iedereen: het is een stift.
Een fopschot. Een slicebal.
Een trekstoot.
De man kijkt de bal nog wel na, voor de vorm. Hij wist meteen al hoe laat het was.