Het slaapkamergesprek met Hella Haasse

De grande dame van de Nederlandse literatuur, Hella Haasse, is deze week om verschillende redenen weer in het nieuws. Ik moest denken aan de dag dat ik als zestienjarige jongen met haar op bed belandde.

Het nieuws rond Hella Haasse (1918-2011) begon afgelopen zaterdag, de dag dat ze haar vijfennegentigste verjaardag gevierd zou hebben en er een borstbeeld van haar werd onthuld in de Openbare Bibiliotheek van Amsterdam. Zowel op twitter als op facebook werd mijn tijdlijn gevuld met videofragmenten van de schrijfster, citaten uit haar werk en weemoedige reacties van lezers. “We missen haar nog steeds” las ik, alsof ze rouwden om een dierbare vriendin die veel te jong was gestorven.

Een paar dagen later lees ik toevalligerwijs op de website van haar uitgeverij dat Oeroeg opnieuw in het Engels is vertaald. De buitenlandse pers is lovend over The Black Lake zoals de vertaalde titel van het boek luidt. The Independent noemt het boek zelfs een ‘instant classic’ en ook andere media zijn lovend over haar debuut. Alhoewel, debuut? Op dezelfde website lees ik dat de schrijfster een jaar voor Oeroeg al was gedebuteerd met de roman Kleren maken de vrouw, waarvan de heruitgave vanaf deze week te koop is. Enfin, ik kon niet meer om haar heen.

“Zullen we naar mijn slaapkamer gaan?”
Mijn eerste en laatste bezoek aan Hélène Serafia Haasse begon op een warme zomerdag in 2008, in de entrée van een door Rem Koolhaas ontworpen appartementencomplex aan de Stadhouderskade in Amsterdam. Mijn bezoek was niet aangekondigd. Ik stelde me via de intercom voor als reporter van een Doetinchemse schoolkrant en vroeg haar of ik een interview met haar mocht houden. Wij hadden op school helemaal geen schoolkrant, laat staan dat je als scholier (in Doetinchem!) in de schoolkrant een interview met een stokoude schrijfster wilt lezen. Maar dat deerde niet. Ze was zeer enthousiast over mijn interesse in haar en haar werk en liet me binnen. De smoes om haar te ontmoeten was geslaagd: de jonge bewonderaar was welkom.

Hella Haasse wachtte me op in de deuropening van haar appartement. Ik stapte zo nonchalant mogelijk op haar af. Ze was zoals ik haar kende van televisie – zij het dat ze op televisie nooit een baardje had. Gekleed in een dikke zwarte trui met daaronder een lange zwarte rok stond ze me op te wachten. Om haar hals een ketting met dikke witte parels die fel afstaken tegen haar trui, met haar rechterhand zocht ze steun op een veel te korte wandelstok. “Ik geef je maar geen hand, want ik heb psoriasis. Mijn hele hand zit onder de schilfers. Kom verder.”

Een van de laatste foto’s die van Hella Haasse is gemaakt. Carré, 2009.

“Zullen we maar naar mijn slaapkamer gaan?” “Dat lijkt me prima, mevrouw Haasse”, zei ik enigszins beduusd. Aan de linkerkant van het halletje, tegenover de slaapkamerdeur, liep een trap naar beneden die bij de woonvertrekken uitkwam. “Daar ligt mijn man die zeer zorgelijk ziek is”, zei ze, terwijl we de slaapkamer binnentraden. “Het is misschien ongebruikelijk, maar ik zie geen andere mogelijk dan om het interview hier te houden.”

Een mens van vlees en bloed
Wat we allemaal hebben besproken ben ik helaas vergeten. Het papiertje met de vragen en de antwoorden (ja, ik had de smoes tot in de puntjes voorbereid) is tot mijn grote spijt verloren gegaan en van een dictafoon had ik nog nooit gehoord. Ik herinner me dat we hebben gesproken over haar overbuurman (Harry Mulisch, red.) en zijn immens grote ego waar zij zich wel eens aan stoorde. Vanuit haar slaapkamer had ze uitzicht op zijn huis. “Als we willen kunnen we naar elkaar zwaaien.”

Naast haar keurig opgemaakte bed stond een computer, “maar daar kan ik niet zo goed mee overweg.” Links naast haar bed stonden al haar boeken, in elke druk en elke taal, opgestapeld in een eikenhouten boekenkast. Een benijdenswaardig oeuvre waar ze met veel trots over sprak. Samen namen we plaats op het bed om de boeken eens te bekijken. “Ik heb veel geleerd van mijn literaire vaders: Proust, Goethe, Nabokov…”, vertelde ze terwijl ze door een Franse uitgave van Het woud der verwachting bladerde. “Ik bewonder hun virtuoze taalbeheersing.” Ik knikte, maar van de schrijvers had ik nog nooit gehoord.

En zo ging het nog even door. Ze vertelde vanaf de rand van haar bed uitgebreid over de naderende dood van haar man, over hoe moeilijk ze het vond om dag en nacht voor hem te zorgen. Na een uur of wat gekeuveld te hebben namen we afscheid van elkaar. Ze gaf me een hand, verontschuldigde zich omdat ze even was vergeten dat ze psoriasis had, en liet me uit. “Veel sterkte met uw man.” “Dankjewel”, zei ze snikkend. Ik wreef over haar bovenarm. De door mij bewonderde schrijfster bleek gewoon een mens van vlees en bloed. En ondanks het leeftijdsverschil van meer dan zestig jaar begrepen we elkaar – de schrijfster en de scholier, als verdrietige grootmoeder en troostend kleinkind.

Hella S. Haasse, Kleren maken de vrouw, uitgeverij Querido. Verkrijgbaar vanaf 5 februari 2013.
_____

Volg HP/De Tijd op Facebook en Twitter
Volg Nick Muller op Twitter

Meer leuke content? Like ons op Facebook