Mario Been lachte niet meer

Ik maak mij zorgen om Mario Been. Om eerlijk te zijn was ik Mario Been een beetje uit het oog verloren – ik wist wel dat hij trainer was in België, in Genk om precies te zijn, maar dacht daar verder niet te veel over na.

Gisteravond was het weer zo’n avond waarop René van der Gijp, Johan Derksen en Wilfred Genee in een Hilversumse studio de tijd stukslaan in de hoop dat er af en toe een rake opmerking tussen zit.
Genee: ‘Die jongens zijn gewoon naar de Wallen geweest, maandag. Kan dat zomaar, in het kader van de voorbereiding en zo?’
Van der Gijp: ‘Tuurlijk man. Heerlijk toch?’
Derksen: ‘In Roemenië kennen ze dat niet. Daar gebeurt dat in hotelbars.’
Genee: ‘Daar weet jij natuurlijk alles van enzovoorts.’
Derksen: ‘Ga je zo beginnen, Genee? Want ik zit hier voor mijn mening. En er zijn ijdele presentatoren genoeg.’
Van der Gijp: ‘Hihihi.’
Zo, ongeveer.
Het als een zeepkist van een helling in de richting van het absolute nulpunt rollende gesprek werd onderbroken door een reportage van een bezoek van de vierde musketier, de rondborstige Rotterdammer met de losse handjes Jan Boskamp, aan Mario Been. In Genk.

Beuken
Jan Boskamp lacht altijd. En als hij niet lacht, dan komt dat omdat hij net doet alsof hij boos is. Echt boos is hij nooit, tenminste, nooit zichtbaar. Zijn gespeelde woede is die van een hulpsinterklaas die achter de roe een juten zak vol prijzige presentjes houdt.
Volgens Johan Derksen houdt iedereen van Jan Boskamp. Dat zou best wel eens kunnen kloppen, Jan Boskamp houdt namelijk ook van iedereen. Dat massieve, twintig kleuters zware lijf lijkt misschien een direct gevolg van een jarenlang  volgehouden streng dieet van bamischijven en halve hanen, maar het blijkt uitsluitend uit liefde en genegenheid te bestaan.

Zodra Boskamp bij Genk arriveert, begint hij van pure aandoening als een maniak om zich heen te meppen. Zelden iets ontroerenders gezien dan Jan Boskamp die Benjamin de Ceulaer in zijn nek grijpt en hem met volle kracht naar de grond drukt, op de betere Aziatische vechtfilmwijze. Oude bekenden krijgen een dreun als groet, een beuk bij iedere uitgesproken zin en een ram als adieu. Prachtig.
En ondertussen lacht Boskamp aan een stuk door. En iedereen lacht terug, deels uit vrees voor meer slaag, maar vooral omdat het aangenaam moet zijn om bij Jan Boskamp in de buurt te zijn.

Iedereen lacht, behalve Mario Been. De vrolijkste Nederlandse voetballer sinds de Lachende Constantijn (Constantijn Kubbels, Haaglandia, 1873-1879) ziet eruit als een man die gedwongen wordt te kijken naar het slopen van zijn zelfgebouwde droomhuis, terwijl zijn vrouw haar koffer al in de cabriolet van zijn beste vriend stopt en zijn dochter door een beruchte veelpleger achterop zijn opgevoerde scootertje wordt genood.
Dat masker van onverstoorbare tristesse houdt Mario Been de hele reportage op. Terwijl iedereen om hem heen gierend van de lach en kreunend van de pijn geniet van de aanwezigheid van Jan Boskamp, blijft de mond van Mario Been een ongenietbare streep. Een hele prestatie. Een verdrietige prestatie, dat wel.

Werkloze knuisten
’s Avonds speelt Mario Been met Genk tegen Stuttgart. Wanneer de Hollandse slungel Plet in de laatste seconde gelijk maakt, lacht Mario Been. Wat heet: hij is door het dolle. Misschien spaart hij zijn vrolijkheid tegenwoordig op voor belangrijke momenten. Of misschien is hij extra blij dat Jan Boskamp veilig ver weg in een Brussels studiootje zit, zijn eeltige knuisten werkloos voor zich op de desk.