Mart Smeets niet de ‘Johannes de Doper van het Spaarne’

Wielrennen” (zie ook: “koers”, “sport”, “fietsen” en “Herbert Dijkstra”) ontstond aan het eind van de 19e eeuw. Alles wat bekend is over deze tijdsbesteding (zie ook “sport”) is in de loop van de tijd door mythen en verzinsels omhuld geweest, waardoor werkelijkheid en verdichting soms in een onontwarbare verstrengeling lagen.

Mensen (meestal mannen, soms een verwarde vrouw) stapten op een fiets met een krom stuur en reden om het hardst op een houten baan (zie ook “wielerbaan”) of gewoon over de weg, vaak alleen (zie ook “Hector Malot”), soms in ploegen (zie ook “combine”) en altijd met behulp van de medische sportwetenschap, die tot het begin van de 21e eeuw in de kinderschoenen (zie ook “De rise and fall of Zalando”) stond.
Het wielrennen werd in die tijd beschouwd als een belangrijk volksvermaak (zie ook “gladiatorenspelen”) waar het publiek van kon genieten door langs de kant van de weg de fietsende medemens aan te moedigen, de verslagen te lezen in de kranten van de volgende dag (zie ook “Karel van Wijnendaele”) of de koers te volgen via radio (zie “Guglielmo Marconi”), televisie (zie ook “Reinout Oerlemans”) of Internet (zie ook “computer”).

Van de eerste honderd jaar van het Wielrennen is vrij veel archiefmateriaal bewaard gebleven. Zo weten wij nu dat de sport een niet onbelangrijke rol moet hebben gespeeld in het dagelijks leven van veel mensen. Er zijn zelfs historici die menen dat het wielrennen de loop van de geschiedenis her en der een beslissende wending heeft gegeven, maar de bewijzen hiervoor zijn gering en weinig overtuigend.

Een overwinning van een Italiaanse wielrenner (zie ook “coureur”) genaamd Bartali zou in het jaar 1948 na Christus een revolutie in de toenmalige natiestaat Italië (zie ook “Romeinse Rijk”) hebben voorkomen. Dit is een typisch voorbeeld van wat men in die tijd het romantiseren van de historie noemde, een door het wielrennen aangemoedigde vorm van geschiedvervalsing waarbij het verhaal altijd boven de werkelijkheid geprefereerd diende te worden.

Johannes de Doper
Feit is wel dat het wielrennen voor veel mensen een belangrijke afleiding vormde van het vaak eentonige dagelijkse bestaan dat voor veel mensen in die tijd bestond uit het verdienen van “geld” (zie ook “Reinout Oerlemans”). Wielrenners kunnen gevoeglijk worden beschouwd als de helden van hun tijd, de hoofdrolspelers in al dan niet waargebeurde sagen die door minstrelen en sportjournalisten werden doorverteld.

De sport wordt door veel hedendaagse onderzoekers beschouwd als een reactie op de ontkerkelijking van de tweede helft van de twintigste eeuw, waardoor veel mensen op zoek gingen naar nieuwe, begrijpelijke verhalen waarin lijden, heroïek, menselijke waarden en vergevingsgezindheid een grote rol spelen. De wielrenners zouden op deze manier gezien kunnen worden als nieuwe heiligen en de schrijvers van hun verhalen als nieuwe, moderne apostelen.
(De claim van een Haarlemse wetenschapper dat Mart Smeets (zie ook “Avondetappe” en “De uitdrukking: mag ik dat zeggen?”) met het schrijven van het boek (zie ook “papyrusrollen”)  Rugnummers en Ingevette Benen de ‘Johannes de Doper van het Spaarne’ zou zijn genoemd, is tot op heden niet met bronnen gestaafd. Dat er ooit een boek met een dergelijke titel heeft bestaan evenmin).

De toekomst is aan de achteruitgang
In de 21e eeuw na Christus (zie ook “God”, “vader” en “zoon”) gebeurde er echter iets in het wielrennen dat zich niet laat rijmen met het vooruitgangsdenken dat sinds de Verlichting (zie ook “Descartes”) in de Westerse wereld school had gemaakt. Terwijl de wereld met kleine stapjes vooruitging in een ongericht streven naar geluk, maakte het wielrennen een omgekeerde ontwikkeling door die in de eeuwen daarna in vele andere delen van de maatschappij werd gevolgd: de achteruitgang.

Dit speelde zich op medisch vlak af – terwijl men in andere sporten zichzelf al druk genetisch manipuleerde en het wereldrecord op de 100 meter sprint in 2023 naar verluidt even op 5,73 stond – rommelde men in het wielrennen nog aan met het opnieuw inspuiten van oud, lichaamseigen bloed om de prestaties te verbeteren, een praktijk waar de apostelen zich destijds walgend van afkeerden (daar zijn geschriften over teruggevonden, zie ook “Digitale archieven Volkskrant en NRC Handelsblad”).

Maar het waren vooral de wedstrijden (zie ook “competitief gedrag”) zelf die van karakter veranderden. Zo zou er in de besproken periode (zie ook “paardenvleesgate” en “Grote crises 873-3297 na Christus”) al een uitstekend wegennetwerk zijn aangelegd, van een opvallend hoogwaardige kwaliteit (zie ook “ZOAB”), maar reden de fietsers nog over keien en oude rotsen of zelfs over grind. Bij voorkeur deed men dit in de natiestaat Italië, waar de kunst van de achteruitgang met het voortschrijden van de tijd werd geperfectioneerd.

De ontdekking van een serie beelden en foto’s van twee van deze wedstrijden uit de vroege lente van het jaar 2013 na Christus geeft ons dientengevolge geen goed tijdsbeeld wat betreft contemporaine sport, wegenbouw en architectuur, maar kan wel beschouwd worden als het startpunt van een interessante maatschappelijke beweging die uiteindelijk uitmondde in het nieuwe filosofische vergezicht dat voortgang geen vooruitgang moet betekenen – zoals geformuleerd door de Slowaakse filosoof Sagan, in het jaar 2059 na Christus in zijn standaardwerk Witte wegen.