Zomaar een zondag: Lionel Messi bij Buitenboys Almere

Het dooide in Almere, maar van harte ging het niet. Ik liep en ik liep en ik liep en een ijzige wind blies me eerst door de straten van de Stripheldenbuurt, daarna door die van de Eilandenbuurt en tenslotte door het verlaten winkelcentrum van de Bouwmeesterbuurt, waar Cafetaria Lucky middels talloze plakkaten een grootse opening aankondigde.

Een halfuur later dan de bedoeling was, arriveerde ik op het sportpark aan de Daniel Stalpaertlaan. Het sportpark van Buitenboys.

Zonder Respect Geen Voetbal
Wie het park van Buitenboys oploopt, wordt gedwongen eerst langs een groot blauw bord te lopen. Het is het bord dat de voorbijganger nog eens inpepert dat Zonder Respect Geen Voetbal mogelijk is. Daaronder stonden de uitgangspunten van een respectvol potje voetbal nog eens haarfijn uiteengezet, maar voor een korte opfriscursus aangaande respect en samenspel was het wat te fris.

Dit was de club waar Richard Nieuwenhuizen met een vlag in zijn hand stond. Dit was de plek waar HET gebeurde.
Hier ging een paar maanden geleden alles mis.

Het was vreemd, maar ik stond ervan te kijken hoe gewoontjes het Buitenboys-complex eigenlijk was. Gewoon, een kantine, met een paar fietsenrekken ervoor, een lange gang met houten kleedkamerdeuren, een kantine met lange rijen voor de gefrituurde hap en velden waar jongens en mannen overheen draven. Een amateurclub zoals ik er misschien al bij duizend was geweest in mijn leven.
Ik kon mezelf niet uitleggen wat ik anders had verwacht.

Oude kicksen
Even later stond ik voor het eerst in vier maanden weer in een stampvolle, door onderdrukte opwinding verwarmde voetbalkleedkamer. Het beeld van veertien jongens in een voetbalkleedkamer, in verschillende fases van ontkleding – de een haalt zijn veters onder z’n schoenzool door, een ander trekt de donkerblauwe kousen over zijn knieën tegen de kou en een derde zit nog in zijn gewone kloffie, staart naar de modder op de tegels voor hem en wacht tot het golven van zijn maag gaat liggen – behoort tot de mooiste uitzichten die ik ken. Hoe begrijpelijk ook is daarom de oud-voetballer die er alles voor over heeft om erbij te blijven horen, al moet hij er iedere dag de kleedkamer voor vegen.

Voor het eerst in tijden stond ik ook weer oog in oog met mijn eigen kicksen. Oude, zilvergrijze schoenen zijn het. Tussen de neus en de zool kiert het een beetje, er zouden sprieten en kluiten modder in passen als we nog op echt gras zouden spelen. Nu vis ik er alleen nog af en toe een volgens mijn moeder uiterst kankerverwekkend korreltje van plastic uit. Op de plekken die het vaakst de bal hebben beroerd, begint de verf af te bladderen, als van een houten tuinstoel die nooit meer in de schuur wordt gezet. Er beginnen zich kale plekken te vormen op die schoenen, het verval tekent zich onherroepelijk af. Mijn schoenen zijn als de schedels van oudere heren.

Ik stond niet in de basis, wat zelfs na vier maanden afwezigheid, blessures, ziekte en conditioneel verval voelde als een nederlaag van formaat. Wie langs de kant staat, met hoeveel goede redenen omkleed ook, is niet nodig. Wie reserve staat, wordt voor de hele kleedkamer op zijn misbaarheid gewezen. Dat mensen het ook prima zonder je af kunnen, hoort niemand graag.

Zomaar een schot
Tijdens de warming-up gierde de wind over het veld alsof hij er morgen mee moest stoppen en het er nog eens lekker van nam. Ook warming-ups hebben iets troosteloos voor hen die niet vanaf het begin meespelen. Zij schieten de keeper in (1) of trappen de bal zo lusteloos en nonchalant mogelijk naar elkaar over (2). Af en toe schiet iemand een bal in de richting van een verlaten pupillendoel. Heel soms vliegt zo’n schot fraai binnen, net onder de lat, een acht voor de uitvoering. Niemand die het ziet, en zij die het wel zien, laten hun bewondering niet blijken.
Zomaar een mooi schot is geen mooi schot.

Met zichtbare tegenzin kwam er een scheidsrechter het veld opgewandeld. Een kale man met een omvangrijke buik, die als een gestolen Edammer kaas onder zijn shirt en over zijn broek hing. Iedere club waar ik ooit ben geweest, heeft zo’n scheidsrechter. En iedere club vindt dat normaal, al twijfelde ik daar hier, bij deze club, opeens aan.

Terwijl de scheidsrechter voor het begin floot en de bal over het met ijs- en sneeuwplakkaten getroffelde kunstgras gleed, verschool ik mij in de dug-out in een trainingsjackie. Iemand vroeg of ik de goal van Messi had gezien.
Nee, die had ik niet gezien. Mooi?
Heel mooi.
Ik knikte. Daar was ik al bang voor.

Heel mooi
We wonnen met 4-1. Mijn bijdrage was 75 minuten lang te verwaarlozen geweest. Toch had ik genoten, op de manier waarop van je eten kunt genieten op een volstrekt mislukte date.
huis bekeek ik het doelpunt van Messi. En toen nog eens, en toen nog eens.
Inderdaad, heel mooi.