De Gent-Wevelgem-gebeden van de Sporza-hogepriesters Wuyts en De Cauwer

“We rijden nu de Rodeberg op. Wordt ook wel de Schommelinkberg genoemd.”
“Het kind moet een naam hebben.”

“Is de bevoorrading gebleven wat ze was, Jose?”
“Ik denk dat de bevoorrading is gebleven wat ze was. Dat is een logische toestand dus eigenlijk.”
“Wat draagt die jongen van Europcar daar nu voor bril?”
“Dat is een doorzakbril.”
“Een doorzakbril?”
“Een doorzakbril.”
“En nu?”
“Nu draaien ze de betonbaan op.”

“En een val. Een val. Quick-Step. (…) En het is Tom Boonen himself.”
“Aiaiaiai.”
“Daar zit-ie, Tom, in Gent-Wevelgem.”
“Op z’n gat.”
“Op z’n gat op de stoep.”
“Die stoep, dat blijft een gevaarlijke situatie.”
“Het is al niet zijn winter geweest. En die winter trekt door, in het weer en in negativiteit. (…) Waar is de pijn? Wat is de pijn?”
“Hij herbegint.”
“Ja, hij herbegint.”

“De Kemmel. Bazayev, die ziet er altijd uit alsof het kraakt in alle voegen.”
“Die zijn gezicht staat altijd op hetzelfde, zal ik maar zeggen.”
“Op half zeven?”
“Half zeven, half zes; da’s hetzelfde.”
“Boasson Hagen en Sagan gaan even vooruit rijden. Laten we zeggen: twee jonge wolfjes.”
“En nu?”
“Nu bollen we naar de Baneberg en doen we alles nog eens opnieuw. Links, links en dan via de achterkant van de Kemmel naar de Baneberg.

“Je ontroert me.”
“Weeral.”

“José, leg mij nu eens uit wat die Haussler daar doet.”
“Dat zul je aan Haussler zelf moeten vragen, want dit gaat mijn petje te boven.”
“Oss komt. Oss komt. Oss, met een O.”
“Ja. En met twee essen.”
“Klopt.”

“Sagan zit op zijn buis. Zo lang op die buis blijven plakken, dat zou ik met oog op de toekomst niet doen.”
(Hoge stem) “Och, dat weet ik niet.”

“Daar staat Marc Sergeant langs de kant.”
“Leren schoentjes.”
“Zelfs in de winter kun je stijlrijk voor de dag komen, José.”
“Oh ja?”

“Zoals het nu evolueert moet Vandenbergh nog wat uit zijn broekspijpen schudden.”
“En daar rijdt Flecha.”
“Ja, daar rijdt Flecha.”
“Die dacht: ik kan de Kemmel misschien niet verteren als ze er daar een volle lap op geven, ik moet maken dat ik weg kom. En dat deed hij.”
“En daar rijdt Eisel.
“Die zit daar nu voor Team Sky.”
“Die zit daar nu inderdaad voor Team Sky.”

‘Ieper! De Kattenstad. Hier gooiden ze in de winter levende katten van het belfort naar beneden.”
“Katten komen toch altijd op hun pootjes terecht?”
“Katten zijn als coureurs.”
“Juist.”
“Renaat, op de motor. Kom er maar in, Renaat.”
“Ja, Michel, die passage door Ieper, dat was om stil van te worden! Om STIL van te WORDEN!”

“Stijn, wat doe je nog jongen?”
“Dit is een renner in nood, Michel. Het is trappen maar niet duwen.”
“Dit is de weg van de nervositeit.”
“Sagan op kop.”
“Renaat?”
“Ja Michel, Sagan probeert iedereen ja, eeh, moreel te destabiliseren!”

“Daar gaat Sagan!”
“Goh, ’t is toch ook een straffe toebak. Ja, zo kun je ook de hele boel naar de vaantjes rijden. Die is weg hoor, die is de pijp uit. Dag jongens, ik ben ermee weg!” Hij is de pijp uit hoor! Hoe groot kan een pijp zijn zeg? In een habbekrats!”
“Jajaja.”
“Jose, er is een jongen in het peloton die niet moe wordt.”
“Nou ja, die minder snel moe wordt dan toch.”
“Ha, een wheelie. Dan moet je nog wel een beetje jus in de benen hebben.”

“Bozic wordt twee! Dzju, zegt hij. In het Sloveens zal dat anders klinken. Weet jij hoe, José?”
“Ach nee. Waarschijnlijk andersom.”