Fuck it, drive on

Het is regenachtig en winderig op de top van Mount Marathon en Tom Walsh is het zat. Het is al de zestiende keer dat hij als vrijwillig jurylid in de Mount Marathon Race actief is en er komt vandaag niemand meer, dat weet hij bijna zeker.

Iets na vijven verschijnt er toch nog een man op de top. Hij zegt dat hij de laatste man in de wedstrijd is. Tom Walsh geeft hem een kopje thee en een stempel, wacht nog een tijdje en vat dan toch maar omzichtig de loeisteile afdaling aan.
Hij is al even aan het dalen als er hem toch nog een deelnemer tegemoet komt.
Zwart broekje, zwart shirt, zwarte zweetband om het hoofd.
Nummer 548.
‘Hoe ver is de top nog?’ roept de man. En: ‘Kan ik nog finishen?’
Tom wijst naar boven en sms’t de organisatie dat er nog een deelnemer op het parkoers is. Binnen ongeveer anderhalf uur kunnen ze nummer 548 aan de streep verwachten.
Nummer 548 heet Michael LeMaitre.
Hij zal de finish nooit bereiken.
Hij staat op het punt voorgoed te verdwijnen.

De race naar Mount Marathon
De Mount Marathon Race is een wedstrijd in de categorie ‘extreme sporten’. De berg verrijst als een groene piramide net buiten Seward, een stadje in Alaska.
De race zelf bestaat uit nauwelijks vijf kilometer: 2,5 naar de top en 2,5 terug naar het dal. Het zijn vijf afschuwelijke kilometers: soms steil als een muur, soms glad als een ijsbaan en soms zuigt de modder je als drijfzand naar zich toe.
Aan de voet van de berg staat een bord, waarop te lezen staat: ‘Going down is even more dangerous than going up.’

Het is het soort wedstrijd waar botten nogal makkelijk breken. Maar ook spieren en pezen houden er bij deze inspanningen wel eens gewoon mee op, of de deelnemer wordt bevangen door hoogteziekte.
Af en toe loopt er een beer het parkoers op.
En wie niet behoorlijk bloedt uit beide knieën en ellebogen, heeft niet eens werkelijk zijn best gedaan.
Wedstrijden als de Mount Marathon Race zijn er voor adrenalineverslaafden, voor natuurfreaks en voor mensen die die twee gebreken combineren.
Mensen zoals Michael LeMaitre.

Fuck it, Drive on
Michael LeMaitre was gek op Alaska en gek op het verleggen van zijn grenzen in de vrije natuur. Wie Michael LeMaitre ooit naar de definitie van plezier zou hebben gevraagd, zou zich hebben kunnen verbazen hoe dicht het antwoord de beschrijving van een wedstrijd als de Mount Marathon Race benaderde.
Op 3 juli 2012, de avond voor de 85e Mount Marathon Race, kwamen alle deelnemers van de volgende dag samen in de aula van Seward Middle School. Daar nam organisator Tim Lebling het woord.

‘Als je de berg nooit eerder beklommen hebt, is dit een goed moment om je spullen te pakken en naar huis te gaan.’
Iedereen bleef zitten. Michael LeMaitre, die Mount Marathon nooit van dichtbij had gezien, ook. In het Amerikaanse leger hebben ze een uitdrukking voor mannen als Michael LeMaitre.
FIDO.
Fuck it, Drive On.

Een zinnetje, in steen gekerfd
Er bestaat een laatste foto van Michael LeMaitre, genomen op 4 juli 2012. Zijn shirt en broek zijn doorweekt van regen en zweet.
Zijn knieën zijn vuil.
Hij grijnst.
Onder hem ligt het dorp Seward. Een poppenstadje.
Hier bestaat hij dus nog. Hierna ontbreekt ieder spoor.
Vier dagen werd er onafgebroken naar Michael LeMaitre gezocht. Hij bleef onvindbaar, voor helikopters, reddingswerkers, ambulancebroeders, politieagenten, speurhonden, vrijwilligers en infraroodcamera’s. Nog geen zweetband vonden ze.
De kans dat hij ooit nog gevonden wordt, is te verwaarlozen.

In een van de grote rotsen op de top staat sinds deze zomer een zinnetje, erin gekerfd door Michaels dochter Mary-Anne.
‘I love you dad,’ staat er.
Dit jaar, op 4 juli, staat Tom Walsh er weer, om de uitgeputte deelnemers te voorzien van water, thee en stempeltjes. Met vlak achter hem die zin. ‘I love you, dad.’
Er had ook kunnen staan: ‘Fuck It, Drive On.’

Bron: o.a. Christopher Solomon, ‘Last man up’. Runners world (Am. editie), februari 2013