De tranen van Sep Vanmarcke

Er stond een man op het podium. De huid onder zijn ogen was wat gezwollen. Op zijn hoofd stond een zwarte pet. Als je goed keek, zag je hoe zijn lichaam nog wat nahikte.Een klassiek voorjaar lang bespraken de Vlaamse televisiecommentatoren op rustige momenten in de koers de kansen van hun landgenoten. En steeds keerde die ene naam terug, een naam als een bijfiguur uit een stripboekenreeks.

Sep Vanmarcke.

Het ergerde me, die voortdurende poging om met woorden van een redelijke renner (1 overwinning in zijn loopbaan tot nog toe – in een sprint met Tom Boonen dan wel, maar toch) een  potentiële toprenner te maken.
Steeds als Sep Vanmarcke in beeld kwam, was dat omdat hij het tempo niet kon bijbenen. En iedere keer bekroop me hetzelfde gevoel: het zie-je-wel-gevoel.
Zie je wel, dat niet iedere lange slungel op een racefiets de nieuwe Roger de Vlaeminck is?
Zie je wel, dat niet iedere talentvolle Vlaming over de kasseien danst alsof het asfalt is?
Zie je wel, dat Sep Vanmarcke niet meer is dan een aardige coureur?

250.000 meter
Gistermiddag eindigde Sep Vanmarcke tweede in Parijs-Roubaix, de zwaarste eendagswedstrijd ter wereld. Hij werd er verslagen door Fabian Cancellara, de beste renner ter wereld.
Met nauwelijks een meter voorsprong.
Meer dan 250.000 meter rijden, en er op eentje verliezen… Je zou van minder gaan huilen.
Sep Vanmarcke weende. De tranen werden opgevangen in een witte handdoek. Die handdoek werd hem in het gezicht geduwd door een verzorger die bezorgd bij hem knielde, als een vader bij een gevallen kind.
Het lange, dunne lijf van Sep Vanmarcke schokte op de maat van zijn snikken. ‘Een meter,’ schokte zijn lichaam, ‘een meter, een meter.’
De uitputting had de regie over de situatie overgenomen, ergens in Sep Vanmarcke was een dam verschoven. Het verdriet stroomde in straaltjes uit zijn afgepeigerde lijf.
Op het erepodium staarde hij naar de sportschoenen aan zijn voeten. Even maar keek hij op, wapperde met zijn verliezersboeket naar het trosje publiek dat onder hem was samengekoekt. Wie goed keek, zag hoe het wit van zijn ogen ergens tussen de finish en dat moment een vleugje roder geworden was.

Uitblinker
Meer dan tweehonderd mannen startten gisteren in de Hel, zo’n zestig procent daarvan arriveerde in de hemel. De rest bleef achter, verweesd, ergens op een strook puntige stenen tussen Noord-Franse velden. Gevallen, lekke band, kapotte fiets of gewoon vermoeid.

Van die tweehonderd starters kon er eigenlijk slechts eentje winnen. Het werd uiteindelijk een zwaarbevochten overwinning op pure kracht, aangelengd met intelligentie en doorzettingsvermogen. Een combinatie waar voor de rest weinig aan te doen zou zijn.
Van die rest was Sep Vanmarcke veruit de beste. Hij was de uitblinker van de middag, de kranten zouden zijn geplooide gezicht op hun voorpagina’s printen, weekbladen zouden hem interviewen, tv-programma’s zouden de finale eindsprint herhalen en ergens op de site van een roemrucht weekblad dat een maandblad werd, zou iemand er ook nog een stukje aan wijden.
En toch… Sep Vanmarcke verloor. Hij kreeg geen kassei, zijn naam zou niet onthouden worden als de bedwinger van het Beest van Bern, hij was geen Jason die de Argonauten tegenhield.
Hij was maar gewoon een jongen met goeie benen. Een jongen die niet kon winnen.

Na de finish verscheen Sep Vanmarcke voor de camera’s van Sporza.
Zijn stem sloeg al na enkele woorden over en er liep een traan over zijn wang.  Hij veegde hem niet weg, die traan. Hij biggelde in de richting van de mondhoek van Sep Vanmarcke.
Het interview werd afgebroken voor Sep de traan doorslikte. Dat mocht hij alleen doen, in de rust die het deel is van de eerste van de verliezers.

De overwinning in Roubaix mag zoet zijn, de tweede plaats smaakt zout.