Het verdriet en de opluchting van Boston

Het is even na middernacht als ik deze woorden schrijf. Zojuist heeft president Obama zijn eerste verklaring over de bomaanslag in Boston voorgelezen. Korte, inwisselbare zinnen waren het. Beheersing in plaats van opwinding. Ik had al een dinsdagstukje. Een opgewekt stukje was het, over de stand van de sport, over getikte voetballers, over de Muur van Huy, het NK Dammen en over Johan Derksen en Hans Kraay jr. En die dingen dan gecombineerd.

Lachen, man.
Misschien komt het er ooit nog eens van, dat stukje. Ik heb er even geen zin in. Nu, om 00.20 uur, ververs ik de nieuwspagina’s en bevaar ik met gevaar voor eigen gemoedsrust een zee van elkaar tegensprekende nieuwsflashes.
BREKEND.
BREAKING.

Ostentatief niet kijken
De eerste steunbetuigingen van BN’ers stromen binnen. Gelukkig maar, denk ik, terwijl ik aarzel om op de links te klikken die mij een haarscherp filmpje van de ontploffing beloven. Waarom zou ik het nieuws, dat me in alle eenzaamheid op mijn kamer plotseling aanvliegt alsof ik er nauw bij betrokken ben, nog rechter in de ogen willen kijken dan ik nu al doe? Waarom toch die haast om met de eerste foto’s van de hel op de proppen te komen? Waarom zit ik er eigenlijk zo ostentatief niet naar te kijken?

Ik was ooit op een avond waar Rob Wijnberg ook was. Rob zat op het podium, ik achter in de zaal, zoals ik vaak achter in een zaal ga zitten, alsof de dingen over het algemeen mij maar matig zouden kunnen interesseren en ik weg moet kunnen zodra het me ergens niet aanstaat, terwijl de dingen me in werkelijkheid vaak hartstikke interesseren en ik er niet over peins om ergens eerder te vertrekken – al staan de dingen nog zo tegen.

Wijnberg vertelde over de sociale afspraak. Dat er hier nu, in de zaal waar wij allemaal samen waren, niemand opstond en zijn pistool trok. Er was ook niemand die een bom had neergelegd. En dat gebeurde eigenlijk bijna nooit, nergens. En zelfs als het wel een keer fout ging, dan was dat nog geen bewijs dat bepaalde dingen niet meer georganiseerd konden worden; die keer was hoogstens de afschuwelijke uitzondering op een geruststellende regel.

Het verschil tussen schrik en angst
Ik moet aan Rob Wijnberg denken, terwijl ik het nieuws over Boston de afgelopen uren als een heroïneverslaafde rechtstreeks in mijn geest injecteer. Dit is dus zo’n uitzondering. En terwijl het bloed op het asfalt nog niet eens opgedroogd is, denk ik al aan mijn vriendin, die ieder moment kan landen, in New York, nauwelijks vier uur rijden verderop. Wonderlijk toch, hoe reële schrik en irreële angsten elkaar lijken af te wisselen als estafettelopers. Alsof er iets zou… Nu ja, je weet natuurlijk nooit… Maar toch, hoe groot is de kans… Is er überhaupt een kans…
Terwijl Obama zijn zinnen in de microfoon mompelt, sms’t mijn vriendin dat ze veilig geland is. Natuurlijk is ze veilig geland. Wat ben ik eigenlijk voor ei dat ik dacht dat ze niet veilig zou landen? En waarom schrijf ik niet gewoon dat stukje over Johan Derksen en de Muur van Huy af?
Het gaat niet. Ik zie vreselijke beelden, beelden die mijn fantasie bij afwezigheid van foto- en filmmateriaal er zelf heeft bijgefabriceerd. Ik denk gek genoeg de hele tijd aan mijn eigen hardlooprondje, aan het aangenaam-ontspannene dat ik altijd met hardlopen heb geassocieerd. De doden en de gewonden, en de CAPSLOCKers op Twitter. Ik denk aan mijn vriendin, veilig in haar hostel.
En, hoe onwenselijk, verwarrend en onaangenaam ook: ik ben opgelucht.

Het is intussen 00.45 uur. Is dit een sportstukje geworden? Ik geloof van niet. Ach.
En dan te bedenken dat ik al een dinsdagstukje had.