Ik huilde om Wesley Sneijder, tot ik deze reclame zag

Het ging de laatste tijd niet zo goed met me. Ik kon urenlang vrolijk zijn, mijn werk met plezier doen, lief zijn voor kinderen en middelgrote huisdieren. En dan, zomaar, uit het niets: PAF. Huilen. En niet zomaar huilen hoor, nee, janken! Hysterisch krijsen als een zuigeling met krampjes. Volstrekt onverwachte aanvallen van onversneden verdriet zijn het, die even plotseling ophouden als dat ze gekomen zijn.

Ik ben ermee naar de dokter geweest. Die verwees me door naar een specialist. Die verwees me door naar een chirurg en die weer naar de KNO-arts. Uiteindelijk was er een legertje psychiaters, een volledige herdefiniëring van Freud en een honderdvijftiental divansessies voor nodig om bij de kern van het probleem te komen.
We zijn eruit: de kern van mijn probleem is 1 meter 70 lang, heeft een tatoeage van Herman Brusselmans op zijn torso en is net als ik in Utrecht geboren, maar een jaar eerder.

Bezoekjes aan mijn onderbewuste
Waarom Wesley Sneijder het nodig vindt om mij dag in dag uit in mijn onderbewuste te bezoeken en daar huis te houden alsof mijn onderbewustzijn de Nederlandse grammatica is en Wesley John Ewbank, is me voorlopig nog een raadsel – de vraag is of ik het aandurf of ik zo diep af te dalen in de krochten van mijn geest. Je kunt veel over krochten zeggen, maar over het algemeen is het er vaak donker en vochtig en niet zelden krioelt er allerhande onzichtbaar ongedierte. Ik heb er weinig fiducie in dat het met mijn krochten anders gesteld is dan met de gemiddelde krochten, met als verschil dat er bij mij als klap op de vuurpijl ook nog een iets te kort afgesneden, iets te zware, volgekliederde, nors kijkende, kalende middenvelder van Galatasaray rondscharrelt.

In het dagelijks leven heb ik geen specifieke fascinatie voor Wesley Sneijder. Aan de oppervlakte van mijn gedachten is Wesley Sneijder niet meer dan een topvoetballer die zich af en toe misschien een beetje te veel heeft laten gaan en zich nu – nog geen dertig – aan de Bosporus terugvindt, in een competitie die met de dag meer op een rusthuis voor voetballers gaat lijken. Hoezeer ik ook de opvatting huldig dat Wesley Sneijder met Van Persie samen de beste Nederlandse speler van de afgelopen tien jaar is – hebben zijn goals en zijn soms tegen het briljante aanleunende spel nooit de ware Sneijder-liefhebber in mij wakker kunnen kussen: ik genoot van de artisticiteit van Van der Vaart, van die enkele gelukte dribbel van Robben, van de techniek van Van Persie. Zelfs de aandoenlijke onbeholpenheid van Mathijsen kreeg mijn handen enthousiaster op elkaar.

Gunfactor
Als “gunfactor” een woord was geweest, dan lag die van Wesley Sneijder bij mij net boven het nulpunt. En ondertussen wel juichen voor al die geweldige passes en goals, vuile hypocriet die ik was. Wesley speelde natuurlijk ook voor mij, maar ik moest verder geen last van hem hebben.

Misschien waren die huilbuien wel Wesleys telepathische wraak voor mijn onverschilligheid aangaande zijn talent, dat onmiskenbaar zo ontzettend veel groter was dan dat van mij; kwam hij daarom op willekeurige momenten mijn geordende gedachten overhoop halen.
Het was mijn verdiende loon, goedbeschouwd.

Lipton Ice Tea
Maar er is iets veranderd. Iets fundamenteels. Twee dagen geleden stuurde een van mijn zes huidige psychiaters mij – na weer zo’n eindeloze divansessie waarin ik terugkeerde naar mijn periode als foetus, waarin ik in de jungle die Utrecht in de jaren tachtig geweest moet zijn een prenataal akkefietje met de pasgeboren Wes zou hebben gehad – een e-mail.
Geen onderwerp. Dat vind ik altijd de spannendste.
De mail van mijn psychiater bevatte alleen een hyperlink. Toen ik erop klikte, opende zich een Youtube-scherm, waar ik een minuut en vijftig seconden lang verrukt naar keek.

Het bleek een Turks reclamefilmpje voor Lipton Ice Tea, dat na een langdurige inleiding van een corpulente man die grote hoeveelheden vlees stond te roosteren uitmondde in een mise-en-scene waarin Wesley op zijn knieen op een voetbalveld en voor een tafel vol Turkse specialiteiten zat.
Het duurde even voor ik de volledige portee van de zaak kon bevatten: daar zat de aanvoerder van het Nederlands Elftal in de Turkse zon in hoog tempo allerlei vleeshapjes naar binnen te schuiven.
Eerst nog keurig met een vork, maar al snel gewoon rechtstreeks uit het vuistje.
Af en toe nam hij een slok Lipton Ice Tea, om de zaak door te spoelen.
Daar zoomde de camera dan op in.
Met een paar forse happen verdampte het buffet. Wesley zei weinig, hij at vooral.
Yolanthe kreeg ook een hapje.
Die vond het ook lekker.
‘I like it,’ zei Wesley. ‘I love it.’
Daarmee was de commercial ten einde. Wat een reclamefilm voor ijsthee had moeten zijn, was een propagandafragment voor de buitengewone eetlust van Wesley Sneijder geworden.
Waarschijnlijk is het toeval, maar sinds het moment dat ik dat filmpje heb gezien, ben ik een stuk stabieler. Ik huil nauwelijks nog.

Ik lach nu wel vaak, soms zorgwekkend hard.