Robert Lewandowski: Marco van Basten half gereïncarneerd in een Poolse slungel

Gisteravond zette ik de televisie aan toen het 1-1 stond. Een halfuur later was de 1 een 4 geworden, en de 1 een 1 gebleven. Op het scorebord stond nog steeds maar een naam.

Stel, je bent op vakantie in Dortmund (God weet waarom, volgens mij is het er vreselijk, maar goed: je bent er nu eenmaal – misschien wel op familiebezoek bij een naar oude uien ruikende oom die iets onduidelijks doet in het Ruhrgebied) en je staat bij de bakker (Der Bäcker). Het is druk, en je hebt haast. Tergend langzaam helpt de bakkersvrouw (Die Frau) de ene Klant (Kunde) na de andere. Stuk voor stuk forse bestellingen, die allemaal apart moeten worden ingepakt (eingepackt) of warm gemaakt (heiss gemacht).

Je geduld (Geduld) raakt op, maar je bent nu toch echt bijna aan de beurt. ‘Wie is er aan de beurt?’ (“Wer ist an der Reihe?”) vraagt de bakkersvrouw. Je werpt een steelse blik op de laatste persoon die nog voor je is, een slungel in een kleurloos regenjack die gedachteloos op het touwtje van zijn capuchon kauwt terwijl hij in de Schwarzwalder Kirsch-vitrine staart. Je neemt een geestelijk aanloopje – je hebt immers zelf zo’n hekel aan voordringers. En dan doe je het. Je dringt voor. ‘Ik!’ (“Ich!”)

De slungel met het touwtje in z’n mond kijkt op, je kijkt terug en plotseling zie je het. Verdomd, het is ‘m, deze dromerige hark die jij hier net even hebt afgetroefd. De beste spits van Europa.

Vooral veel niet
Ik had eerlijk gezegd nooit echt gelet op Robert Lewandowski. Hij maakte altijd een wat vreugdeloze indruk, als een accountmanager van een middelgroot paperclipbedrijf die al te lang op promotie wacht.

Geen voetballer die zich op je netvlies etst, geen paradijsvogel met meer tatoeages dan coherente gedachten op een dag, geen getruct toptalent, geen goede juicher, geen buitengewoon getalenteerde dwerg met een splijtende steekbal, geen rechtsback met een sliding zo scherp dat je er een envelop mee kunt openen, geen voorstopper met een sportschooltorso, geen kwieke dribbelaar, geen leider, geen aanvoerder, geen groot causeur, geen groot tacticus, geen niet onaardig pianospelende bankzitter, geen in straattaal twitterende zorgenkind, geen brildrager, geen pispaaltje, geen pinchhitter.

Wanneer ik voor gisteravond een bijzonderheid van Robert Lewandowski had moeten noemen (“mes op de keel”), dan had ik vermoedelijk zijn totale gebrek aan bijzonderheden aangehaald. En daar dan heel diepzinnig bij gekeken.
Hij scoorde, Robert Lewandowski. Soms mooi, soms ronduit lelijk, vaak hingen zijn doelpunten ergens ertussenin. Niets, nee, niets deed vermoeden dat we hier met een unieke voetballer te maken hadden. Tot gisteravond.

De nieuwe Van Basten
Gisteravond begreep ik plotseling dat Robert Lewandowski de reïncarnatie is van Marco van Basten. Vele malen minder gracieus, talloos veel keer minder mysterieus, maar verder: sprekend San Marco. Zelfde korte, snelle bewegingen, zelfde onverstoorbare blik, zelfde juichen (handje in de lucht, kort vreugdesprongetje, Hoera!, een koket lachje en weer verder). Vooral zijn derde doelpunt – een soort mini-spitseninstructievideo – riep herinneringen aan Van Bastens eerste doelpunt tegen Engeland in ’88 in me wakker. Aannemen, wegdraaien, rammen. Geen overbodige prietpraat.

Lewandowski de nieuwe Van Basten, ik begon er meer en meer in te geloven. Als speler dan, als doelpuntengeweer. Niet als mens: Van Basten de nurkse halfgod, Lewandowski de eeuwige sterveling – al maakt ie er straks vijf in de finale. Want boven alles is Robert Lewandowski een heus mens. Een mens van wie je je kunt voorstellen dat ie tegenover je komt zitten op een vierzitter in de trein tussen Hollandsche Rading en Diemen.

Dat hij, z’n jas tot z’n kin toe dichtgeritst, naar buiten gaat zitten kijken. Dat hij z’n neus ophaalt. Drie keer, vol overgave. Dat hij gebeld wordt door een vriend, met wie hij een gesprek over hun laatste potje Pro Evolution Soccer begint. Dat dat gesprek langer duurt dan strikt noodzakelijk. Dat hij een beetje een eenzame indruk op je maakt. Dat hij in Diemen uitstapt. Dat je hem vanuit de trein nog wat onzeker over het perron ziet ijsberen, alsof hij met iemand heeft afgesproken die natuurlijk niet komt. Misschien een meisje, van het internetdaten. Een meisje dat op het laatst niet durfde, of dat eigenlijk een kerel was.

Dat je de rest van de dag af en toe aan Robert Lewandowski moet denken, en dat die gedachten je weemoedig maker dan nodig. Dat je denkt: dat zou ik bij Marco van Basten nou nooit hebben.