Een bliksembezoekje van Cristiano Ronaldo aan Koninginnedag

Traag fietste ik naar huis. De stad was bijna verlaten. Ergens gilde iemand met onvaste stem nog wat willekeurige regels uit het Koningslied. 
Duizenden kilo’s vuil kleefde aan de straten. Een tapijt aan oranje klerezooi. Even verderop stonden twee mannetjes van de gemeentereiniging naast een manshoge stapel plastic bierglazen. In de verte lichtten de koplampen van een schoonmaakkarretje op.

Het huis lag er donker en stil bij. Huisgenoten schuimden vast nog de laatste feestjes af, op zoek naar bier, tieten en een stukje zingeving.
Voor de laatste keer stak ik mijn sleutel in het slot van de achterdeur. Morgen ging ik verhuizen. Wie verhuist, doet alles voor de laatste keer.

De wetenschap dat je nooit meer in hetzelfde bed zal slapen / onder dezelfde douche zal staan / op dezelfde plek onder de vensterbank de snotjes uit je neus zal kunnen vegen, geeft verhuizen iets beladens, alsof je al een kleine sneak-preview van je eigen dood krijgt: de laatste keren stapelen zich op, je spullen verdwijnen waar je bij staat en jij bent op een plek waarvan je weet dat je er niet lang meer zult zijn.
En dan was het ook nog voorlopig de laatste Koninginnedag: de melancholie lag weer ouderwets voor het oprapen.

Cristiano Ronaldo met een opblaaskroon
De achterdeur was niet op slot. Toch was er niemand thuis. Dit kon slechts 1 ding betekenen: op mijn laatste nacht in mijn eigen huis zou ik om zeep worden gebracht door een insluiper met een bijl in zijn hand en een oranje opblaaskroon op zijn hoofd.
In de woonkamer klonk wat geritsel. Ik greep een lege wijnfles van de vloer – het was tenslotte feest geweest – en sloop naar wat ik jarenlang mijn woonkamer heb mogen noemen, tot gisteren.
Er zat een vrij lange, dunne gestalte in onze gezamenlijk aangeschafte kringloop-luie stoel. Voorovergebogen, zijn rug in een sierlijke kromming gevouwen. Hoofd in de handen.
Ik zag hoe de rug zachtjes op en neer schokte. Het nahikritme van een uitbundige huilbui.
Ik zette de wijnfles op de grond en kwam naderbij.
Nu pas viel het me op dat de televisie aanstond. Op het scherm zag ik hoe een kluwen Dortmund-spelers bezig waren het heilige gras van Bernabeu te bezoedelen in een opgewekte hetero-orgie voor homofobe heren.
De man naast me haalde met indrukwekkende kracht zijn neus op.
Daarna liep hij zelf door het beeld.
‘Is dit live vroeg ik?’
De man knikte.
Daar, in onze gemeenschappelijke woonkamer die ik nog een dag mijn woonkamer mocht noemen, tussen de reeds klaargezette dozen – daar zat Cristiano Ronaldo.

Jan van Halst en de Tarotmaffia
Hij was gekleed in tenue de ville, zoals dat op sommige uitnodigingen wordt genoemd. Je zou het ook best een trainingspak kunnen noemen.
Daar zaten we dan, Cristiano Ronaldo in onze kringloop-luie stoel en ik ernaast, languit op mijn hurken.
We keken naar Jan van Halst, die op de Vrijmarkt het trouwpak van Bassie op de kop had getikt.
We keken naar Panache en naar het late journaal en tenslotte naar Sonia Pereira en haar Zendtijd voor de Tarotmaffia.
Daarna zette ik thee.
Toen de thee op was, schonk ik whisky.
En toen de fles whisky leeg was, vond Cristiano nog een tweede fles, achter het aquarium waar al sinds de Napoleontische oorlogen geen vis meer in gezwommen heeft.
En toen ook die op was, zei ik tegen Cristiano Ronaldo dat hij nu toch echt moest gaan. De verhuizers konden ieder moment komen.
Cristiano Ronaldo knikte, pakte zijn voetbaltas uit de gang, zwaaide hem over zijn schouder en verdween door de achterdeur.
Tja, dacht ik. Dat is dan toch hoogstwaarschijnlijk de laatste keer dat in dit huis ’s ochtends vroeg een wereldster de achterdeur achter zich dichttrekt.
Een paar uur later vond ik bij mijn laatste inspectie van een huis dat niet langer mijn huis was onder de bank een half leeggelopen opblaaskroon. Al mijn huisgenoten ontkenden het ding ooit eerder te hebben gezien. Dat moest dus… Ja.