Arjen Robben: van egocentrische kwast tot de Allergrootste

Op de dag van de arbeid werkte Barcelona zich op virtuoze wijze in de nesten. Alles hadden ze bereikt, alles alles alles. Alles behalve de ultieme vernedering in eigen stadion. Barcelona is sinds gisteren als de schrijver van een briljant, twee boekenkastplanken vullend oeuvre: wanneer je goed zoekt, zit er altijd wel een volkomen flutboek bij.

En dat allemaal dankzij Arjen Robben. Leuk hoor, die andere tien van Bayern, maar er is maar 1 man die de vesting van Barcelona niet alleen omver gespeeld heeft, maar er ook voor heeft gezorgd dat men bij opgravingen over een jaar of duizend nog slechts wat kleine restjes zal aantreffen.
Arjen Robben, wereldvoetballer. Ik heb het altijd gezegd.
Ik wel.

Zemelpot. Zeurneus.
Altijd vertrouwen gehouden in die jongen, altijd om beterschap gebeden als hij weer eens met een van pijn vertrokken gezicht van het veld hinkte, hem altijd met hand en tand verdedigd als mensen bijvoorbeeld zeiden: ‘Die Robben, dat is een egocentrische kwast. Draak van een voetballer. Zanikerd. Zeveraar. Zultkop. Aansteller. Zemelpot. Zeurneus. Lulhannes. Eenbenige. Dom paard met oogkleppen. Rotte appel. Paljas.’
‘Jajaja, dat mag dan allemaal wel zo wezen,’ zei ik dan (want helemaal ongelijk hadden ze ook niet, ‘maar als hij in vorm is, behoort-ie nog steeds tot de wereldtop.’

Kon ik op een gegeven moment ook niet meer mee aankomen; zeggen dat Robben in vorm nog altijd tot de wereldtop behoort werd zoiets als beweren dat Marilyn Monroe er nu nog altijd mooi had uitgezien, indien ze nog geleefd had: misschien wel waar, maar niet meer te controleren.
Arjen Robben was zo lang niet meer in vorm geweest, dat je je kon afvragen in hoeverre het woord ‘vorm’ nog wel geschikt was voor wat er met hem aan de hand leek: de vaste vorm van Robben leek ‘uit vorm’ te zijn geworden. En als de vorm dan langzaam begon te komen, als je flitsen zag van de oude Robben (wiens vorm vooral ‘in vorm’ was geweest), scheurde hij vaak een knieband, een pees, een band, een spier of een stuk crêpepapier  maar wat er ook gebeurde: in vorm raakte hij nooit meer.

Ooit was het een sport geweest om Arjen Robben te haten, maar tot voor kort was het veeleer een nationaal tijdverdrijf geworden. Ik bleek Robben-haters onder mijn beste vrienden te hebben – zelfs in mijn familie werd het zaaigoed van jaren van moeilijk kijken en geen bal afgeven geoogst als authentieke Robben-haat. En ik maar de Blijde Boodschap verkondigen, dag in, dag uit. Hij komt terug, riep ik, alsof het om de Messies ging – terwijl: het ging om iets veel belangrijkers. Ik ging nog net niet met het Arjen is Groot-clubblad langs de deuren, maar het scheelde niet veel.
Het Licht van Bedum, het brandde nog, maar lang leken we niet meer op uitdoving te hoeven wachten. Alleen ik – en een enkele krankzinnige in en rond München – geloofde nog in de wederopstanding van de Heer van de kwikzilverdribbel.

Een lekkerder flensje
En verdomd. Gisteren. Robben in Nou Camp, huis van de beste dribbelaar ooit. Koken in de keuken van Bocuse. En dan een lekkerder flensje in elkaar draaien dan de meester zelf. Dan ben je niet zomaar groot.
Dan ben je de allergrootste.
Maar dat wist ik natuurlijk al lang.
Ik heb het eigenlijk altijd geweten.