Het kampioenschap van Ajax is vooral het kampioenschap van Rob de Wit

“Tahamata gaat, geen buitenspel. De Wit… De Wit gaat zelf. Oh! Is dit ‘m? Wordt dit ‘m? De Wit! JAAAAAAAAAAAAAAAH! JAAAAAAAAAAAAAAAAAAH! Rob de Wit, wat een schitterende actie van die invaller!” (© E. ten Napel, 1985)

Het is niet het mooiste doelpunt uit de Oranjegeschiedenis. Niet het meest beslissende, niet het meest legendarische. Wel het doelpunt om het melancholischt van te worden. Wie Rob de Wit de bal van het gras van het Nep-stadion ziet lepelen, over een wel erg onbeholpen ter aarde stortende Hongaar met tuinhandschoenen aan, zet de ramen open waardoor vroeg of laat de melancholie komt binnenwaaien. De stift van De Wit, een Utrechtse trekstoot. Dennis Bergkamp maakt zich nog druk om een acceptabele CITO-score, als Rob de Wit de stift voor het eerst tot kunst verheft.

Veljanoski en Giphart
Jaren later zag ik een prachtige NOS-reportage van Marcel Goedhart over een oude man, die dezelfde Rob de Wit was als die jongen van die stift. Ik wist hoe het hem vergaan was, zijn verhaal behoort tot de klassiek geworden mineur in de compositie die het Nederlands voetbal is.
(Ooit zocht Ronald Giphart hem op, in Nieuwegein. Utrechters onder elkaar: de een onderweg naar de top, de ander met een smak van de top afgelazerd. Giphart beschreef die visite in Hard Gras en hoewel het bewuste nummer ergens verdwenen moet zijn, kan ik die ontroerende zinnen over eenzaamheid en vroegtijdige aftakeling nog altijd een voor een reproduceren).

Daar, op een aan zijn beperkte fysieke vermogens aangepaste driewieler, reed Rob de Wit, langzaam, op de maat van de piano van Thomas Newman. Geen bezweet matje meer in de nek, maar een kale kop. Geen slobberend Ajax-shirt over een tanig linksbuitenlichaam, maar een gebleekt spijkerjasje.
Geen voetballer meer, maar een hulpbehoevende.

Drie hersenbloedingen hadden zijn lijf gesloopt op een manier die geen verdediger het ooit gekund zou hebben. Zijn beperkingen lieten hem lopen als een dronkenman. Wankel bewoog hij zich voort, wankel was ook zijn spraak. Traag strompelden de woorden uit zijn mond. Het enige dat niet verdwenen was, was het Utrechts, dat als een dikke laag roomboter over zijn slepende zinnen was gesmeerd.

De breedste lach
Gisteren zag ik Rob de Wit weer. Op het vreemde soort plastic podium waar sporthuldigingen op worden gehouden. Hij droeg een blauwgrijs kostuum. Hij had een schaal in zijn handen. Een zilveren schaal.
Terwijl hij naar het midden van het podium schuifelde, zag ik hoe enkele Ajax-spelers een beetje gegeneerd naar hem keken, naar die man met die vermoeide ogen, die man waarvan ze vermoedden dat ze hem behoorden te kennen.

Rob de Wit lachte, hij zag er goed uit. Misschien was hij blij met het kampioenschap, misschien had hij net met het Nieuwegeins Dam Genootschap een belangrijke wedstrijd gewonnen. Wie weet dacht hij aan de Stift. Zijn Stift.
Het zal wel door mijn voorkeur voor droefenis en Thomas Newman komen, maar van alle lachen die ik gisteren in de Arena zag, was die van Robbie de Wit het breedst en het meest verdiend.